Ja/nee‑vragen vormen in de tegenwoordige tijd

A1

Ja/nee‑vragen vormen in de tegenwoordige tijd van het Engels

In dit artikel leer je stap voor stap hoe je in het Engels ja/nee‑vragen (yes/no questions of closed questions) maakt in de tegenwoordige tijd. We behandelen: present simple, present continuous, het werkwoord be, modale hulpwerkwoorden en de veelgebruikte do/does‑inversie. Alle uitleg is in het Nederlands; voorbeelden zijn vooral in het Engels met een Nederlandse vertaling.

Wat is een ja/nee‑vraag en wanneer gebruik je die?
Een ja/nee‑vraag is een vraag waarop het antwoord normaal gesproken 'yes' of 'no' is. Je gebruikt ze om bevestiging te vragen, toestemming te krijgen, snel informatie te controleren of een aanbod/voorstel te doen.

Voorbeelden:
- "Do you speak English?" — Spreek je Engels?
- "Is she at home?" — Is zij thuis?
- "Can I open the window?" — Mag ik het raam openen?

Basisregel: wanneer gebruik je do/does, wanneer keer je 'be' om, en wanneer gebruik je modals?
Kort overzicht:
  • Als het hoofdwerkwoord niet 'be' is en er geen modaal staat, gebruik je do/does (do‑support): Do/Does + subject + base verb + ...?
  • Als het werkwoord 'be' is (am/is/are) of als je present continuous hebt (am/is/are + -ing), draai je het hulpwerkwoord om: Am/Is/Are + subject + ...?
  • Als er een modaal (can, should, must, may, will, enz.) staat, zet je het modale werkwoord vóór het subject: Modal + subject + base verb + ...?

Voorbeelden ter vergelijking:
- Main verb (present simple): "You work here." → "Do you work here?" — Werk je hier?
- Be: "She is a teacher." → "Is she a teacher?" — Is zij docent?
- Present continuous: "They are playing." → "Are they playing?" — Spelen ze?
- Modal: "You can help." → "Can you help?" — Kun je helpen?

Hoe vorm je ja/nee‑vragen met do/does?
Patroon voor present simple met hoofdwerkwoord: Do/Does + subject + base form (stam) van het werkwoord + rest?

- Gebruik Do bij I / you / we / they.
- Gebruik Does bij he / she / it.
- Na does blijft het hoofdwerkwoord in de base form (zonder -s).

Voorbeelden (do/does‑inversie):
- "Do you like coffee?" — Vind je koffie lekker?
- "Does he work here?" — Werkt hij hier?
- "Do they speak Spanish?" — Spreken zij Spaans?
- "Does it rain a lot in spring?" — Regent het vaak in het voorjaar?

Foute vorm en correctie:
- Fout: "Does he works here?"
- Goed: "Does he work here?"

Voorbeelden met do/does‑inversie (meer voorbeelden en variaties)
Affirmatief (vragen):
  • "Do you play football?" — Speel jij voetbal?
  • "Do we need tickets?" — Hebben wij kaartjes nodig?
  • "Does she speak French?" — Spreekt zij Frans?
  • "Does the train stop here?" — Stopt de trein hier?

Negatief (vragen met ontkenning):
- "Don't you like chocolate?" — Houd je niet van chocolade? (vaak: verbaasde toon)
- "Doesn't he know the answer?" — Weet hij het antwoord niet?
- "Don't they come every week?" — Komen ze niet elke week?

Let op: bij don't/doesn't blijft het hoofdwerkwoord in de base form: "Doesn't she work?" (niet: "Doesn't she works?").

Het werkwoord be en present continuous
Als het werkwoord in de zin 'be' is (am/is/are) of als je present continuous hebt (am/is/are + -ing), maak je de vraag door het hulpwerkwoord vóór het subject te zetten:

- Be (present simple): Am/Is/Are + subject + rest?
- "I am ready." → "Am I ready?" — Ben ik klaar?
- "She is at home." → "Is she at home?" — Is ze thuis?
- "You are late." → "Are you late?" — Ben je laat?

- Present continuous: Am/Is/Are + subject + verb‑ing?
- "He is working now." → "Is he working now?" — Werkt hij nu?
- "We are studying." → "Are we studying?" — Zijn wij aan het studeren?

Verschil in betekenis:
- "Do you work here?" = Vraag naar gewoonte of baan (werk je hier meestal?).
- "Are you working here?" = Vraag of iemand op dit moment hier werkt of in dienst is (tijdelijk/of contract).

Vragen met modale hulpwerkwoorden (can, should, will, may, enz.)
Patroon: Modal + subject + base verb + ...?

- "Can you swim?" — Kun je zwemmen?
- "Should I call him?" — Moet ik hem bellen?
- "Will you come tonight?" — Kom je vanavond?
- "May I sit here?" — Mag ik hier zitten?

Belangrijk: je gebruikt geen do/does met modals. Dus niet: "Do you can..." — dat is fout.

De speciale gevallen: 'have' en 'have got'
  • In Amerikaanse Engels is het gebruikelijk: "Do you have a car?" — Heb je een auto?
  • In Brits Engels hoor je vaak: "Have you got a car?" — Heb je een auto?
Beide vragen zijn goed, maar let op de vorm: bij "Have you got..." is "have" hier een hulpwerkwoord en wordt het omgekeerd (Have + subject + got ...?), bij "Do you have..." gebruik je do‑support.
Negatieve ja/nee‑vragen: betekenis en nuance
Negatieve vragen verwachten of suggereren vaak een bepaalde reactie; ze kunnen verbaasdheid of verwachting uitdrukken.

- Neutrale negatieve vraag: "Do you not like tea?" (formeel, zelden gebruikt)
- Gangbaarder: "Don't you like tea?" — Gebruik in gesproken Engels om verbazing of controle uit te drukken.
- Q: "Don't you like tea?" A: "No, I don't." (Verbaasdheid: ik dacht dat je het wel lekker vond.)

Met 'be': "Isn't she coming?" — Komt ze niet?

Let op intonatie: een negatieve vraag met stijgende intonatie kan een echte vraag zijn; met dalende intonatie kan het eerder een verwachting bevestigen.

Korte antwoorden (short answers)
Short answers geven een korte bevestiging of ontkenning, en ze gebruiken het hulpwerkwoord uit de vraag:

- Vragen met do/does:
- Q: "Do you like coffee?" A: "Yes, I do." / "No, I don't."
- Q: "Does she work here?" A: "Yes, she does." / "No, she doesn't."

- Vragen met be:
- Q: "Are you ready?" A: "Yes, I am." / "No, I'm not."

- Vragen met modals:
- Q: "Can you help?" A: "Yes, I can." / "No, I can't."

Informele gesproken vragen (alleen intonatie)
In spreektaal kun je soms de normale vraagvolgorde weglaten en alleen de intonatie gebruiken:


  • "You like pizza?" (met stijgende intonatie) — Houd je van pizza?


Dit is veel voorkomend in gesprek, maar niet correct in formele geschreven taal. Gebruik de omgekeerde vorm in formeel schrijven en bij examens.

Veelgemaakte fouten om te vermijden
  • Fout: "Does he plays tennis?" → Correct: "Does he play tennis?"
  • Fout: "Do you can help me?" → Correct: "Can you help me?"
  • Fout: "Do you are ready?" → Correct: "Are you ready?"
  • Fout: "Do you have a car?" (Amerikaans ok) maar in Brits Engels kun je ook zeggen: "Have you got a car?" (let op: geen dubbele do‑support gebruiken)
  • Fout: "Doesn't she plays?" → Correct: "Doesn't she play?" (na doesn't: base form)
  • Fout: vragen zonder inversie in formeel schrijven: schrijf niet "You like it?" in een formele tekst; gebruik "Do you like it?"
Kort overzicht (cheat sheet)</b]
  • BE: Am/Is/Are + subject + ...? — "Is he here?"
  • Present simple (hoofdwerkwoord): Do/Does + subject + base verb + ...? — "Do you work? / Does she work?"
  • Present continuous: Am/Is/Are + subject + verb‑ing + ...? — "Are they studying?"
  • Modals: Modal + subject + base verb + ...? — "Can you come?"
  • Negatie: Don't/Doesn't + subject + base verb? — "Don't they know?" / "Doesn't he like it?"
  • Korte antwoorden volgen het hulpwerkwoord uit de vraag: "Yes, she does." / "No, I don't." / "Yes, I am."
Glossarium (korte definities)</b]
  • Hulpwerkwoord (auxiliary): werkwoord dat samen met een ander werkwoord gebruikt wordt om tijd, modaliteit of vraagvorm te maken (vb. do, be, have, modals).
  • Do‑support (do‑ondersteuning): het gebruik van do/does in vragen en ontkenningen als er geen ander hulpwerkwoord is.
  • Inversie: het omkeren van de volgorde subject/hulpwerkwoord om een vraag te maken (bijv. "Is she..." of "Do you...").
  • Base form / stam: de onverbogen vorm van het werkwoord (zonder -s, zonder to), bijv. play, go, eat.
  • Present simple: tegenwoordige tijd voor gewoonten, feiten en algemene waarheden.
  • Present continuous: tegenwoordige tijd met am/is/are + -ing, gebruikt voor handelingen die nu gebeuren of tijdelijke situaties.
Slottips</b]
  • Kijk eerst welk werkwoord in de zin staat: is het 'be', een modaal of een gewoon hoofdwerkwoord? Dat bepaalt de vraagvorm.
  • Onthoud de regel: he/she/it → does (en daarna base verb zonder -s).
  • Gebruik do/does in geschreven en formele context; in spreektaal kun je vaker intonatievragen horen.

Als je deze regels en voorbeelden oefent, wordt het vormen van ja/nee‑vragen in het Engels snel vanzelfsprekend. Succes!

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York