Scheidbare werkwoorden in de tegenwoordige tijd (plaatsing van het voorvoegsel)
A1Scheidbare werkwoorden in de tegenwoordige tijd (plaatsing van het voorvoegsel)
Veelvoorkomende scheidbare voorvoegsels: ab-, an-, auf-, aus-, bei-, ein-, mit-, nach-, vor-, zu-, zurück-, los-, vorbei-, fern-, durch-, weg-, her-, hin-.
Veelvoorkomende onscheidbare voorvoegsels (die niet loskomen): be-, ent-, er-, ver-, zer-, emp-, miss-, ge-.
Een handige tip: bij scheidbare werkwoorden ligt de klemtoon vaak op het voorvoegsel (bijv. âufstehen), bij onscheidbare niet (bijv. bekommën). Dit helpt bij het herkennen.
- Duits infinitief: aufstehen (opstaan). In een gewone hoofdzin in de tegenwoordige tijd splitst het: Ich stehe um 7 Uhr auf. (Ik sta om 7 uur op.)
- Infinitiefvormen tonen de onderdelen: anrufen (opbellen), fernsehen (tv kijken), mitbringen (meebrengen), anfangen (beginnen).
Hoe werkt de plaatsing van het voorvoegsel in de tegenwoordige tijd?
1) Hoofdzin (vrije inversie: werkwoord op pos. 2) — voorvoegsel aan het einde
In een normale hoofdzin staat de vervoegde werkwoordsvorm op de tweede plaats (V2). Het voorvoegsel wordt afgescheiden en staat aan het einde van de zin of clausule.
Voorbeelden:
- Ich stehe um 7 Uhr auf. (Ik sta om 7 uur op.)
- Du rufst deine Mutter an. (Jij belt je moeder op.)
- Wir sehen heute Abend fern. (Wij kijken vanavond tv.)
- Er macht die Tür auf. (Hij doet de deur open.)
- Morgen fängt der Kurs um neun Uhr an. (Morgen begint de cursus om negen uur.)
Let op de volgorde: het voorvoegsel (bijv. auf, an, fern) staat ná objecten en bijwoordelijke bepalingen:
- Ich rufe dich später an. (Ik bel je later op.)
- Er stellt die Tasche ab. (Hij zet de tas neer.)
(Onjuist: *Ich aufstehe um 7 Uhr.)
2) Ja/nee-vragen en W-vragen
Bij ja/nee-vragen komt de vervoegde vorm op plaats 1, maar het voorvoegsel blijft aan het einde.
- Rufst du mich später an? (Bel je me later op?)
Bij W-vragen (wann, wo, wie, warum...) staat het vraagwoord vóór de vervoegde vorm; het voorvoegsel staat nog steeds op het einde:
- Wann stehst du auf? (Wanneer sta jij op?)
- Warum ruft er sie an? (Waarom belt hij haar?)
3) Imperatief
Bij bevelen staat de stam direct (eventueel zonder persoonlijk voornaamwoord); het voorvoegsel komt meestal aan het einde:
- Steh auf! (Sta op!)
- Ruf mich morgen an! (Bel me morgen op!)
- Mach das Licht aus! (Doe het licht uit!)
Formeel: Stehen Sie bitte auf! / Rufen Sie mich an!
4) Bijzin (subordinale bijzin) — voorvoegsel blijft gehecht
In bijzinnen (bijv. eingeleid door dass, weil, wenn, dass...) staat de vervoegde werkwoordsvorm achteraan en is het voorvoegsel weer aan het begin van het werkwoord (het hele werkwoord blijft aaneengeschreven):
- Ich weiß, dass du morgen anrufst. (Ik weet dat je morgen belt.)
- Er sagt, dass er um sieben Uhr aufsteht. (Hij zegt dat hij om zeven uur opstaat.)
- Wenn ich aufstehe, trinke ich Kaffee. (Als ik opsta, drink ik koffie.)
5) Met modale werkwoorden en andere hulpwerkwoorden
Als er een modaal werkwoord (können, müssen, wollen, sollen, dürfen, mögen) of een ander hulpwerkwoord (werden, haben, sein) in de zin staat, blijft het scheidbare werkwoord in zijn infinitiefvorm en het voorvoegsel blijft eraan vast:
- Ich kann dich morgen anrufen. (Ik kan je morgen opbellen.)
- Er will heute Abend fernsehen. (Hij wil vanavond tv kijken.)
- Wir werden früh aufstehen. (We zullen vroeg opstaan.)
6) Perfectum en voltooid deelwoord (kort terzijde)
In het Perfekt krijgt een scheidbaar werkwoord het ge- tussen voorvoegsel en stam: anrufen -> angerufen; aufstehen -> aufgestanden. (Let op: sommige beweging/overgangswerkwoorden gebruiken sein als hulpwerkwoord: Ich bin aufgestanden.)
Voorbeeld: Ich habe dich gestern angerufen. (Ik heb je gisteren opgebeld.)
7) Zu + infinitief (zu wordt tussen voorvoegsel en stam geplaatst)
Bij gebruik van 'zu' met een infinitief komt 'zu' tussen het voorvoegsel en de stam:
- Es ist schwer, aufzustehen. (Het is moeilijk op te staan.)
- Ich habe vergessen, dich anzurufen. (Ik ben vergeten je op te bellen.)
- Sie hat angefangen, zu lesen. (Zij is begonnen te lezen.)
8) Negatie: positie van 'nicht' en 'kein'
Negatie met nicht komt meestal vóór het (gesplitste) deel en dus vóór het voorvoegsel wanneer dat aan het eind staat:
- Ich rufe dich nicht an. (Ik bel je niet op.)
- Er sieht den Film nicht an. (Hij kijkt de film niet.)
Met modale werkwoorden: Ich kann dich nicht anrufen. (Ik kan je niet opbellen.)
Met kein: Kein vervangt een onbepaald lidwoord en staat vóór het zelfstandig naamwoord, zoals gebruikelijk.
- Ich stehe um 7 Uhr auf. (Ik sta om 7 uur op.)
- Du stehst um 7 Uhr auf. (Jij staat om 7 uur op.)
- Er/Sie/Es steht um 7 Uhr auf. (Hij/zij/het staat om 7 uur op.)
- Wir stehen um 7 Uhr auf. (Wij staan om 7 uur op.)
- Ihr steht um 7 Uhr auf. (Jullie staan om 7 uur op.)
- Sie stehen um 7 Uhr auf. (Zij/u staan om 7 uur op.)
Anrufen (tegenw. tijd):
- Ich rufe dich an. (Ik bel je op.)
- Du rufst mich an. (Jij belt mij op.)
- Er ruft sie an. (Hij belt haar op.)
- Wir rufen unsere Eltern an. (We bellen onze ouders op.)
- Scheidbaar (klemtoon op 'um'): Er fährt den Pfosten um. (Hij rijdt de paal omver.)
- Onscheidbaar (klemtoon op de stam): Er umfährt das Dorf. (Hij rijdt om het dorp heen.)
- Fout: voorvoegsel vóór de persoonsvorm plaatsen in een hoofdzin.
- Fout: separatie vergeten bij hoofdzin.
- Fout: niet weten waar 'nicht' hoort.
- Fout: bij modale werkwoorden de infinitief op de verkeerde plaats zetten.
- Fout: niet weten dat 'zu' tussen voorvoegsel en stam moet komen.
Hoe voorkomen?
- Kijk naar de woordsoort: is het een hoofdzin (V2) of bijzin (werkwoord achteraan)?
- Zoek het infinitief: dat toont of het één woord is (infinitief vorm) of gesplitst moet worden.
- Oefen met veel voorbeeldzinnen en luister naar natuurlijke spraak om klemtoon en splitsing te herkennen.
- Hoofdzin (V2): voorvoegsel aan het einde. (Ich rufe dich an.)
- Vragende zin: vervoegd werkwoord vóóraan of op 2 maar voorvoegsel blijft aan het einde. (Rufst du an? / Wann stehst du auf?)
- Bijzin: voorvoegsel zit vast aan het werkwoord (aan het eind van de bijzin). (..., weil ich aufstehe.)
- Modal/hulpwerkwoord: infinitief staat achteraan en het voorvoegsel blijft eraan vast. (Ich will anrufen.)
- Zu + infinitief: zet 'zu' tussen voorvoegsel en stam. (anzurufen, aufzustehen)
- In hoofdzin: splitsen, prefix naar het eind.
- In bijzin of bij hulpwerkwoorden: geen splitsing, hele werkwoord aan elkaar.
- Bij zu + infinitief: zu staat tussen prefix en stam.
Als je deze regels oefent met veel voorbeeldzinnen, wordt de plaatsing van het voorvoegsel een automatisme.