Werkwoord 'mieć' (hebben) 6 bezit uitdrukken
A1Wat betekent "mieć"?
"Mieć" betekent letterlijk 'hebben'. Je gebruikt het om bezit of het hebben van iets uit te drukken: spullen, familieleden, leeftijd, sommige klachten en veel vaste uitdrukkingen (idiomen).
[*]Mam psa. — Ik heb een hond.
[*]Mam 25 lat. — Ik ben 25 jaar (letterlijk: ik heb 25 jaar).
[*]Mam na imię Anna. — Mijn naam is Anna (letterlijk: ik heb de naam Anna).
Wanneer gebruik je "mieć"?
Gebruik "mieć" voor:
[*]Bezitsinformatie / eigendom — Mam samochód. (Ik heb een auto.)
[*]Familierelaties — Mam brata. (Ik heb een broer.)
[*]Leeftijd — Mam 30 lat. (Ik ben 30 jaar.)
[*]Sommige lichamelijke klachten of eigenschappen — Mam gorączkę. (Ik heb koorts.)
[*]Vaste uitdrukkingen en gevoelens — Mam nadzieję, mam ochotę, mam rację.
[*]Iets te doen hebben — Mam coś do zrobienia. (Ik heb iets te doen.)
Hoe vervoeg je "mieć" in de tegenwoordige tijd?
Tegenwoordige tijd (persoonlijke vormen):
[list]
[*]Ja — mam (ik heb)
[*]Ty — masz (jij hebt)
[*]On / Ona / Ono — ma (hij/zij/het heeft)
[*]My — mamy (wij hebben)
[*]Wy — macie (jullie hebben)
[*]Oni / One — mają (zij hebben)
[/list]
Voorbeelden:
[*]Ja mam psa. — Ik heb een hond.
[*]Ty masz pytanie? — Heb je een vraag?
[*]On ma czas. — Hij heeft tijd.
[*]My mamy dom. — Wij hebben een huis.
[*]Wy macie dużo pracy? — Hebben jullie veel werk?
[*]Oni mają nowy samochód. — Zij hebben een nieuwe auto.
Verleden tijd en toekomst (kort overzicht)
Verleden tijd (enkele vormen, let op geslacht):
[*]Ja miałem (gesproken door een man) / Ja miałam (gesproken door een vrouw) — ik had
[*]On miał / Ona miała — hij/zij had
Voorbeelden:
[*]Kiedyś miałem samochód. — Ooit had ik een auto. (man)
[*]Kiedyś miałam kota. — Ooit had ik een kat. (vrouw)
Toekomst (samengesteld, omdat "mieć" onvoltooid is): będę miał, będziesz miał, etc.
[*]W przyszłym roku będę miał nowy dom. — Volgend jaar zal ik een nieuw huis hebben.
Welke naamvallen gebruikt "mieć"?
Kort en praktisch:
[*]In positieve zinnen staat het voorwerp meestal in de accusatief (biernik): Mam książkę. — Ik heb een boek.
[*]Bij ontkenning verschuift het voorwerp vaak naar de genitief (dopełniacz): Nie mam książki. — Ik heb geen boek.
Voorbeelden die dit laten zien:
[*]Mam książkę. — Ik heb een boek. (accusatief: książkę)
[*]Nie mam książki. — Ik heb geen boek. (genitief: książki)
[*]Mam psa. — Ik heb een hond. (accusatief: psa; let op mannelijke personen/dieren)
[*]Nie mam pieniędzy. — Ik heb geen geld. (genitief meervoud: pieniędzy)
[*]Mam dużo pracy. — Ik heb veel werk. (na kwantoren zoals dużo volgt genitief: pracy)
Hoe vraag je of iemand iets heeft?
Gebruik meestal:
[*]Masz długopis? — Heb je een pen? (informeel)
[*]Czy masz chwilę?/Czy pan/pani ma chwilę? — Heb je even tijd?/Heeft u even tijd? (formeel/informeel)
[*]Czy pan/pani ma komputer? — Heeft u een computer? (formeel)
Veelvoorkomende fouten (voor Nederlandstaligen)
[*]Leeftijd: In het Nederlands zeg je vaak "Ik ben 25 jaar". In het Pools gebruik je mieć: Mam 25 lat.
[*]"I have to" / verplichting: Engels "I have to go" vertaalt meestal met musieć: Muszę iść. (Niet: *Mam iść.) Wel correct: Mam coś do zrobienia (ik heb iets te doen).
[*]Honger / gevoelens: Nederlands zegt "Ik heb honger"; in het Pools is gebruikelijker: Jestem głodny (ik ben hongerig). Zeg dus niet routinematig *Mam głód. Wel gangbaar: Mam ochotę na... (ik heb zin in...).
[*]Bezitsuitdrukking vs. locatie: Mam samochód = ik bezit/heb een auto. U mnie jest samochód benadrukt dat de auto bij mij is (locatie/tijdelijk).
[*]Formeler woord: Posiadać is formeler dan mieć (vergelijkbaar met 'bezitten' vs 'hebben').
[*]Naamvallen vergeten: Veel fouten door het vergeten van genitief na ontkenning: Nie mam książki (niet *Nie mam książkę).
Veelvoorkomende uitdrukkingen met "mieć"
[*]Mam na imię Anna. — Mijn naam is Anna.
[*]Mam 30 lat. — Ik ben 30 jaar.
[*]Mam ochotę na lody. — Ik heb zin in ijs.
[*]Mam nadzieję, że... — Ik hoop dat...
[*]Mam rację. — Ik heb gelijk.
[*]Mam prawo to zrobić. — Ik heb het recht om dat te doen.
[*]Mam coś do zrobienia. — Ik heb iets te doen.
[*]Mam klucz przy sobie. — Ik heb de sleutel bij me.
[*]Mam wrażenie, że... — Ik heb de indruk dat...
[*]Mam alergię na orzechy. — Ik ben allergisch voor noten / ik heb een allergie voor noten.
Kort overzicht (cheat sheet)
[*]Gebruik mieć voor bezit, relaties, leeftijd en veel idiomatische uitdrukkingen.
[*]Tegenwoordige tijd: mam, masz, ma, mamy, macie, mają.
[*]Voorwerp: accusatief in positieve zinnen; genitief bij ontkenning en na bepaalde kwantoren.
[*]"I have to" = musieć, niet mieć.
[*]Let op vaste uitdrukkingen zoals mam na imię, mam nadzieję, mam ochotę, mam rację.
Korte glossary
[*]Accusatief / biernik — naamval voor het directe voorwerp. Voorbeeld: Mam książkę (książkę = accusatief).
[*]Genitief / dopełniacz — naamval die vaak volgt op ontkenning en op woorden als dużo, mało. Voorbeeld: Nie mam książki.
[*]Onvoltooid / imperfectief — aspect dat een handeling als onaf ziet. Mieć is onvoltooid; de toekomende tijd vormt men met będę + vorm.
[*]Posiadać — formeler woord voor 'bezitten' (vergelijkbaar met 'bezitten' vs 'hebben').
Als je wilt, kan ik meer voorbeeldzinnen geven met woorden die jij vaak tegenkomt, of kort toelichten hoe de naamvallen veranderen bij cijfers en hoeveelheden.