Volgorde van tijden in de aanvoegende wijs
B2Inleiding: wat betekent 'sequence of tenses' bij de Italiaanse congiuntivo?
De term "sequence of tenses" (in het Italiaans meestal "consecutio temporum") beschrijft hoe je de tijd van de bijzin (hier: de aanvoegende wijs / congiuntivo) kiest afhankelijk van de tijd van de hoofdzin en van de relatie tussen de twee handelingen: gelijktijdig, eerder (anterioriteit) of later (posterioriteit).
Kort: kies congiuntivo presente of passato als de hoofdzin in het heden staat; kies congiuntivo imperfetto of trapassato als de hoofdzin in het verleden staat. De precieze keuze hangt af van of de handeling in de bijzin plaatsvindt vóór, tegelijk met of na die in de hoofdzin.
Voorbeeld (snel overzicht):
- Italiano: Penso che lui sia intelligente. — Nederlands: Ik denk dat hij intelligent is. (hoofdzin pres., bijzin gelijktijdig → congiuntivo presente)
- Italiano: Penso che lui sia venuto ieri. — Nederlands: Ik denk dat hij gisteren is gekomen. (hoofdzin pres., bijzin eerder → congiuntivo passato)
- Italiano: Pensavo che lui fosse stanco. — Nederlands: Ik dacht dat hij moe was. (hoofdzin verleden, bijzin gelijktijdig → congiuntivo imperfetto)
- Italiano: Pensavo che lui fosse venuto prima. — Nederlands: Ik dacht dat hij eerder was gekomen. (hoofdzin verleden, bijzin eerder → congiuntivo trapassato)
Wanneer gebruik je de congiuntivo?
De congiuntivo gebruik je in het Italiaans vooral bij: wil/wens, twijfel, emotie, ontkenning, onpersoonlijke uitdrukkingen, onbepaalde antecedenten en bepaalde voegwoorden. Voorbeelden:
- Wil/wens: Italiano: Voglio che tu venga. — Nederlands: Ik wil dat je komt.
- Hoop/wens (toekomstgericht): Italiano: Spero che tu abbia successo. — Nederlands: Ik hoop dat je succes hebt.
- Emotie/medelijden: Italiano: Mi dispiace che tu non possa venire. — Nederlands: Het spijt me dat je niet kunt komen.
- Twijfel/ongeloof: Italiano: Dubito che sia vero. — Nederlands: Ik betwijfel dat het waar is.
- Impersonaal: Italiano: È importante che tu studi. — Nederlands: Het is belangrijk dat je studeert.
- Onbepaalde antecedent: Italiano: Cerco qualcuno che sappia parlare inglese. — Nederlands: Ik zoek iemand die Engels kan spreken.
- Voorwaarden/contrafactueel: Italiano: Se fossi ricco, comprerei una casa. — Nederlands: Als ik rijk was, zou ik een huis kopen.
- Voegwoorden die congiuntivo vereisen: prima che, sebbene/benché, affinché, a meno che (non), purché, ecc.
Opmerking: in informeel gesproken Italiaans hoor je soms het indicativo in plaats van de congiuntivo; in geschreven/formeel Italiaans is de congiuntivo vaak vereist.
Belangrijke tijdsrelaties: gelijktijdigheid, anterioriteit, posterioriteit
- Gelijktijdigheid: de actie in de bijzin gebeurt op hetzelfde moment als de hoofdzin.
- Anterioriteit (eerder): de actie in de bijzin is al voltooid vóór de hoofdzin.
- Posterioriteit (later): de actie in de bijzin gebeurt na de hoofdzin.
De keuze van congiuntivo hangt van die relatie en van de tijd van de hoofdzin.
Kernregels: welke congiuntivo kies je bij welke hoofdzin?
1) Hoofdzin in tegenwoordige tijd (presente) of toekomstige tijd (futuro)
- Gelijktijdig of toekomstig (relatief): congiuntivo presente.
- Italiano: Spero che tu venga domani. — Nederlands: Ik hoop dat je morgen komt. (speranza + actie later of tegelijk → congiuntivo presente: venga)
- Italiano: Penso che Marco sia in ufficio. — Nederlands: Ik denk dat Marco op kantoor is. (gelijktijdig → congiuntivo presente: sia)
- Anterioriteit (actie voltooid vóór de hoofdzin): congiuntivo passato (hulpwerkwoord in congiuntivo presente + voltooid deelwoord).
- Italiano: Temo che Maria abbia già mangiato. — Nederlands: Ik vrees dat Maria al gegeten heeft. (actie voltooid vóór nu → abbia mangiato)
- Vorming: che io abbia parlato, che tu abbia parlato / che io sia arrivato, che tu sia arrivato(a)
2) Hoofdzin in verleden (imperfetto, passato prossimo, passato remoto)
- Gelijktijdig of relatief later t.o.v. het verleden: congiuntivo imperfetto.
- Italiano: Pensavo che tu fossi stanco. — Nederlands: Ik dacht dat je moe was. (pensavo → fossi)
- Italiano: Credevamo che lui venisse il giorno dopo. — Nederlands: We dachten dat hij de volgende dag zou komen. (venisse = congiuntivo imperfetto)
- Anterioriteit (actie vóór de hoofdzin in het verleden): congiuntivo trapassato (imperfetto van het hulpwerkwoord in congiuntivo + voltooid deelwoord).
- Italiano: Pensavo che tu fossi già partito. — Nederlands: Ik dacht dat je al vertrokken was. (fossi partito = congiuntivo trapassato)
- Vorming: che io avessi parlato / che io fossi partito(a)
3) Hoofdzin in condizionale
- Met condizionale presente (vorrei...) gebruik je meestal congiuntivo imperfetto voor gelijktijdigheid / posterioriteit.
- Italiano: Vorrei che tu venissi con me. — Nederlands: Ik zou willen dat je met me meeging.
- Met condizionale passato (avrei voluto...) gebruik je congiuntivo trapassato voor anterioriteit.
- Italiano: Avrei voluto che tu fossi venuto prima. — Nederlands: Ik had gewild dat je eerder was gekomen.
4) Subjunctive in 'se'-zinnen (contrafactuele voorwaarde)
- Tegenwoordige contrafactueel: se + congiuntivo imperfetto → condizionale presente
- Italiano: Se fossi ricco, comprerei una casa. — Nederlands: Als ik rijk was, zou ik een huis kopen.
- Verleden contrafactueel: se + congiuntivo trapassato → condizionale passato
- Italiano: Se avessi studiato, avresti passato l'esame. — Nederlands: Als je had gestudeerd, had je het examen gehaald.
Vorming van de congiuntivo: kort overzicht
- Congiuntivo presente (regelmatige uitgangen):
- -are: che io parli, che tu parli, che lui/lei parli, che noi parliamo, che voi parliate, che loro parlino.
- -ere: che io creda, che tu creda, che lui/lei creda, che noi crediamo, che voi crediate, che loro credano.
- -ire: che io dorma, che tu dorma, che lui/lei dorma, che noi dormiamo, che voi dormiate, che loro dormano.
- Belangrijke onregelmatige (presente):
- essere: che io sia, che tu sia, che lui/lei sia, che noi siamo, che voi siate, che loro siano.
- avere: che io abbia, che tu abbia, che lui/lei abbia, che noi abbiamo, che voi abbiate, che loro abbiano.
- andare: che io vada, che tu vada, che lui/lei vada, che noi andiamo, che voi andiate, che loro vadano.
- fare: che io faccia, che tu faccia, che lui/lei faccia, che noi facciamo, che voi facciate, che loro facciano.
- venire: che io venga, che tu venga, che lui/lei venga, che noi veniamo, che voi veniate, che loro vengano.
- Congiuntivo passato: hulpwerkwoord in congiuntivo presente + voltooid deelwoord
- che io abbia parlato; che tu sia arrivato/a; che noi abbiamo finito.
- Let op: bij hulpwerkwoord essere maak je congruentie met het onderwerp: che lei sia arrivata, che loro siano andati.
- Congiuntivo imperfetto (regelmatige uitgangen):
- -are → che io parlassi, che tu parlassi, che lui/lei parlasse, che noi parlassimo, che voi parlaste, che loro parlassero.
- -ere/-ire → che io credessi / dormissi, ecc.
- Congiuntivo trapassato: imperfetto van hulpwerkwoord in congiuntivo + voltooid deelwoord
- che io avessi parlato; che tu fossi arrivato/a; che noi avessimo finito.
Voorbeelden per combinatie (meer voorbeelden ter verduidelijking)
- Hoofdzin pres. + bijzin gelijktijdig: Italiano: Credo che lui sia onesto. — Nederlands: Ik geloof dat hij eerlijk is.
- Hoofdzin pres. + bijzin eerder: Italiano: Credo che lui sia già arrivato. — Nederlands: Ik geloof dat hij al aangekomen is.
- Hoofdzin pres. + toekomstige bijzin: Italiano: Spero che tu venga domani. — Nederlands: Ik hoop dat je morgen komt.
- Hoofdzin imperfetto + gelijktijdig: Italiano: Pensavo che tu fossi a casa. — Nederlands: Ik dacht dat je thuis was.
- Hoofdzin imperfetto + eerder: Italiano: Pensavo che tu fossi già partito. — Nederlands: Ik dacht dat je al vertrokken was.
- Hoofdzin imperfetto + toekomst in de verleden tijd: Italiano: Credevo che lui sarebbe venuto. — Nederlands: Ik dacht dat hij zou komen. (Let op: hier komt vaak het condizionale in de bijzin in gesproken taal.)
- Condizionale + wens/voorwaarde: Italiano: Vorrei che tu mi aiutassi. — Nederlands: Ik zou willen dat je me hielp.
- Condizionale passato + spijt: Italiano: Avrei voluto che tu fossi venuto. — Nederlands: Ik had gewild dat je gekomen was.
Speciale voegwoorden en vaste structuren
Sommige voegwoorden verlangen vrijwel altijd de congiuntivo:
- prima che: Italiano: Partiamo prima che arrivi. — Nederlands: We vertrekken voordat hij arriveert.
- affinché / perché (met doel): Italiano: Studio affinché tu capisca. — Nederlands: Ik studeer zodat jij het begrijpt.
- sebbene / benché / nonostante che: Italiano: Sebbene sia tardi, esce lo stesso. — Nederlands: Hoewel het laat is, gaat hij toch weg.
- a meno che (non): Italiano: Non verrò a meno che non cambi idea. — Nederlands: Ik kom niet tenzij hij van gedachten verandert.
Vergelijking: 'anche se' gebruikt vaak indicativo omdat het feitelijk is: "Anche se è stanco, viene comunque." Maar "sebbene sia stanco" v Ergt congiuntivo.
Veelvoorkomende fouten en hoe ze te vermijden
- Fout: Hoofdzin in verleden + congiuntivo presente.
- Fout: Pensavo che lui è stanco.
- Correct: Pensavo che lui fosse stanco.
- Fout: Hoofdzin in heden + indicativo voor een eerdere handeling.
- Fout: Penso che lui è venuto ieri.
- Correct: Penso che lui sia venuto ieri.
- Fout: Verkeerd hulpwerkwoord in samengestelde congiuntivi.
- Fout: che io abbia andato.
- Correct: che io sia andato/a. (beweging/vervoeging vergt essere; let op geslachts-/nummerovereenstemming)
- Fout: Se-voorwaarden met condizionale in de 'se'-zin.
- Fout: Se avrei soldi, comprerei una casa.
- Correct: Se avessi soldi, comprerei una casa.
- Fout: Niet gebruiken van congiuntivo na voegwoorden die het vereisen (prima che, sebbene, affinché, ecc.).
Tips voor Nederlandse sprekers
- In het Nederlands gebruik je meestal het indicatief in bijzinconstructies ("Ik denk dat hij komt"). In het Italiaans moet je vaak de congiuntivo gebruiken. Let dus op zinnen met twijfel, wens, emotie, onpersoonlijke uitdrukkingen en onbepaalde antecedenten.
- Vertaal Nederlandse verleden tijd met hoofdzin in het verleden nauwkeurig naar Italiaans: bepaal eerst of de bijzin handeling eerder, gelijktijdig of later is. Kies daarna imperfetto of trapassato van de congiuntivo.
Voorbeelden vertaald uit het Nederlands:
- NL: "Ik hoop dat hij komt." → IT: "Spero che venga." (congiuntivo presente)
- NL: "Ik dacht dat hij ziek was." → IT: "Pensavo che fosse malato." (congiuntivo imperfetto)
- NL: "Als ik rijk was, zou ik reizen." → IT: "Se fossi ricco, viaggerei." (congiuntivo imperfetto + condizionale)
Kort overzicht / spiekbrief
- Hoofdzin pres./futuro → bijzin gelijktijdig/posterior: congiuntivo presente.
- Hoofdzin pres./futuro → bijzin anterior: congiuntivo passato.
- Hoofdzin verleden → bijzin gelijktijdig/posterior: congiuntivo imperfetto.
- Hoofdzin verleden → bijzin anterior: congiuntivo trapassato.
- Se + contrafattuale heden: congiuntivo imperfetto → condizionale presente.
- Se + contrafattuale verleden: congiuntivo trapassato → condizionale passato.
Woordenlijst (kort glossarium)
- Congiuntivo = aanvoegende wijs (subjunctive)
- Presente = tegenwoordige tijd
- Passato/Passato prossimo = voltooid tegenwoordige tijd / verleden voltooid
- Imperfetto = onvoltooid verleden tijd
- Trapassato (congiuntivo trapassato) = voltooid verleden tijd van de congiuntivo (past perfect subjunctive)
- Anterioriteit = handeling die eerder plaatsvond dan de hoofdhandeling
- Gelijktijdigheid = handeling op hetzelfde moment
- Posterioriteit = handeling die later plaatsvindt
Einde. Als je wil, kan ik concrete zinnen uit je eigen Nederlands naar correct Italiaans omzetten en uitleggen welke congiuntivo-tijd is gekozen en waarom.