Volerci versus metterci (verschil)
B1Volerci vs metterci — verschil en gebruik in het Italiaans
In dit artikel leg ik in het Nederlands duidelijk uit wanneer je in het Italiaans "volerci" en wanneer je "metterci" gebruikt. Beide uitdrukkingen kunnen in het Nederlands vaak vertaald worden met "(er) over doen" of "nodig zijn", maar ze hebben verschillende grammaticale eigenschappen en een ander accent: "volerci" is onpersoonlijk en zegt wat er nodig is, "metterci" geeft aan hoeveel tijd/energie een persoon of ding eraan besteedt.
Wanneer gebruik je "volerci"?
Wat betekent het?
"Volerci" (letterlijk: "er (ci) + willen (volere)") wordt gebruikt in een onpersoonlijke constructie: het zegt wat er nodig is of hoeveel tijd/middelen iets kost. Het onderwerp van de zin is datgene wat nodig is (bijv. "un'ora", "due persone", "soldi"). De werkwoordsvorm staat altijd in derde persoon (en moet overeenstemmen in getal met het onderwerp).
Belangrijke eigenschappen
- Onpersoonlijk: je gebruikt alleen derde persoon: ci vuole (enkelvoud), ci vogliono (meervoud).
- De vorm stemt overeen met het woord dat nodig is: "ci vuole un'ora" (enkelv.) / "ci vogliono due ore" (meerv.).
- Bij voltooid tijd gebruik je meestal essere en maak je de overeenkomst: "ci è voluto / ci sono voluti...".
- Het kan verwijzen naar tijd, geld, middelen, of eigenschappen (pazienza, coraggio, ecc.).
Voorbeelden (Italiaans — Nederlands)
Ci vuole un'ora per arrivare. (Het duurt een uur om aan te komen.)
Ci vogliono due ore per finire il lavoro. (Het duurt twee uur om het werk af te maken.)
Per costruire la casa ci vogliono molti soldi. (Voor het huis bouwen heb je veel geld nodig.)
Ci vuole pazienza per imparare una lingua. (Je hebt geduld nodig om een taal te leren.)
Ci è voluto molto tempo per risolvere il problema. (Het heeft veel tijd gekost om het probleem op te lossen.)
Ci sono voluti due giorni per ricevere una risposta. (Het duurde twee dagen om een antwoord te krijgen.)
Domani ci vorrà più tempo. (Morgen zal het meer tijd kosten.)
Ci vorrebbero più informazioni. (Er zouden meer informatie nodig zijn.)
Wanneer gebruik je "metterci"?
Wat betekent het?
"Metterci" (werkwoord "mettere" + het partikel "ci") betekent in deze constructie "er (tijd / moeite) aan besteden", dus: hoe lang iemand (of iets) erover doet. In tegenstelling tot "volerci" heeft "metterci" een duidelijk onderwerp (vaak een persoon) dat de handeling uitvoert: io ci metto, tu ci metti, lui/lei ci mette, ecc.
Belangrijke eigenschappen
- Persoonlijk: je kunt het onderwerp noemen (bijv. "Io ci metto un'ora").
- Vervoegt als het normale werkwoord mettere; "ci" blijft aanwezig: io ci metto, tu ci metti, noi ci mettiamo...
- Voltooid tijd gebruikt avere: "Ci ho messo due ore" (Ik heb er twee uur over gedaan).
- Ook gebruikt voor het uitdrukken van inzet of wat iemand in iets stopt: "metterci impegno", "metterci amore".
- Let op: "metterci" kan ook letterlijk betekenen "iets ergens instoppen" (transitieve betekenis) wanneer "ci" verwijst naar een plaats: "Ci ho messo le chiavi nello zaino." (Ik heb de sleutels erin gestopt.) Dit is een andere betekenis dan "er tijd aan besteden".
Vervoeging (present) — voorbeeld
io ci metto (ik doe er ... over)
tu ci metti (jij doet er ... over)
(lui/lei) ci mette (hij/zij doet er ... over)
noi ci mettiamo (wij doen er ... over)
voi ci mettete (jullie doen er ... over)
(loro) ci mettono (zij doen er ... over)
Voorbeelden (Italiaans — Nederlands)
Io ci metto un'ora per arrivare a scuola. (Ik doe er een uur over om op school te komen.)
Marco ci mette tre giorni a finire il lavoro. (Marco doet er drie dagen over om het werk af te maken.)
Ci ho messo due ore a capire l'esercizio. (Ik heb er twee uur over gedaan om de oefening te begrijpen.)
Quando ero giovane ci mettevo più tempo per prepararmi. (Toen ik jonger was deed ik er langer over om me klaar te maken.)
Luisa ci mette tanto impegno nello studio. (Luisa steekt er veel inzet in bij het studeren.)
Ci ho messo tutti i miei risparmi per comprare la macchina. (Ik heb al mijn spaargeld erin gestopt om de auto te kopen.) — let op: hier is het letterlijk/investeren van geld.
Vorming en overeenstemming: belangrijkste grammaticale punten
Volerci
- Tegenwoordige tijd: ci vuole (enkelv.), ci vogliono (meerv.)
- Imperfetto: ci voleva / ci volevano
- Passato prossimo: ci è voluto (sg.) / ci sono voluti (pl.) — gebruik essere en maak overeenkomst met het onderwerp (hetgene dat nodig was)
- Futuro: ci vorrà / ci vorranno
- Condizionale: ci vorrebbe / ci vorrebbero
Voorbeelden:
Ci vuole un minuto. (Het kost één minuut.)
Ci vogliono cinque minuti. (Het kost vijf minuten.)
Ci è voluto un minuto. (Het heeft één minuut gekost.)
Ci sono voluti cinque minuti. (Het heeft vijf minuten gekost.)
Metterci
- Vervoeging: zoals mettere, maar met het partikel "ci". Voorlopige plaatsing bij samengestelde tijden: "ci ho messo", "ci abbiamo messo".
- Passato prossimo gebruikt avere (messo), geen overeenkomst met onderwerp.
Voorbeelden:
Io ci metto mezz'ora. — Ci ho messo mezz'ora.
Noi ci mettiamo un'ora. — Ci abbiamo messo un'ora.
Direct vergelijken: zelfde situatie, twee manieren om te antwoorden
Situatie: Hoe lang duurt de treinreis van A naar B?
Domanda generica (onpersoonlijk):
Quanto tempo ci vuole per andare da Milano a Torino?
Risposta generica (volerci):
Ci vuole circa un'ora. (In het algemeen duurt het ongeveer een uur.)
Domanda personale (persoonlijk):
Quanto ci metti ad andare da Milano a Torino?
Risposta personale (metterci):
Io ci metto un'ora. (Ik doe er een uur over.)
Nog een paar vergelijkingen:
- Preparare una torta
Per fare una torta ci vogliono tre uova. (Voor een cake heb je drie eieren nodig.)
Io ci metto mezz'ora per prepararla. (Ik doe er een halfuur over om hem te maken.)
- Riparare la macchina
Per riparare la macchina ci vogliono due ore. (Het kost twee uur om de auto te repareren.)
Il meccanico ci mette due ore. (De monteur doet er twee uur over.)
- Imparare l'italiano
Ci vuole tempo per imparare l'italiano. (Je hebt tijd nodig om Italiaans te leren.)
Io ci ho messo due anni per raggiungere un buon livello. (Ik heb er twee jaar over gedaan om een goed niveau te bereiken.)
Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden
- Fout: "Ci voglio due ore per finire." — Dit is verwarrend omdat "voglio" de eerste persoon van "volere" is (ik wil). Correct:
- Onpersoonlijk: "Ci vogliono due ore per finire." (Het duurt twee uur.)
- Persoonlijk: "Ci metto due ore per finire." (Ik doe er twee uur over.)
- Fout: "Ho voluto due ore per finire." — Dit is onjuist als je bedoelt "Het heeft twee uur gekost". Correct: "Ci sono volute due ore." of "Ci ho messo due ore."
- Fout: "Ci vuole due ore." — Onjuist getalsovereenstemming. Correct: "Ci vogliono due ore." (meervoud)
- Let op het verschil tussen "ci" als partikel in de impersonaliteit (volerci) en als locatief/voornaamwoord dat naar een plaats verwijst bij "metterci" (bv. "Ci ho messo le chiavi nello zaino"). Context bepaalt de betekenis.
Synoniemen en alternatieven
- Servire / essere necessario / bisognare: kunnen vaak hetzelfde uitdrukken als "volerci".
- Per questo lavoro servono due persone. = Ci vogliono due persone.
- Per entrare è necessario un permesso. = Per entrare ci vuole un permesso.
- Impiegare / impiegare tempo: alternatief voor "metterci" (formeler).
- Ho impiegato due ore = Ci ho messo due ore.
Praktische tips om ze snel te herkennen
- Vraag: Wil je zeggen "het kost / er is nodig" (algemeen)? Gebruik "volerci" (ci vuole / ci vogliono).
- Vraag: Wil je zeggen "ik/zij/zij doen er X tijd aan" (persoonlijk)? Gebruik "metterci" (io ci metto, lui ci mette...).
- Onthoud: "volerci" = onpersoonlijk (alleen 3e persoon), "metterci" = persoonlijk (vervoegd naar onderwerp).
Kort overzicht met voorbeeldparen
- Algemene tijd vs Persoonlijke tijd:
- Ci vuole un'ora. (Het duurt een uur.)
- Io ci metto un'ora. (Ik doe er een uur over.)
- Noodzakelijke middelen vs iemands inzet:
- Per questo progetto ci vogliono molti soldi. (Voor dit project heb je veel geld nodig.)
- Maria ci ha messo molto denaro nel progetto. (Maria heeft veel geld geïnvesteerd in het project.)
- Verleden tijd:
- Ci è voluto molto tempo. (Het heeft veel tijd gekost.)
- Ci ho messo molto tempo. (Ik heb er veel tijd aan besteed.)
Glossarium (korte verklaringen in het Nederlands)
- Impersonale / onpersoonlijk: constructie zonder specifiek onderwerp; werkwoord staat in 3e persoon.
- Overeenstemming / concordanza: het werkwoord past zich aan in getal (en soms geslacht) aan het onderwerp.
- Participio passato (voltooid deelwoord): bij "volerci" vaak gebruikt met essere (ci è voluto / ci sono voluti).
- Partikel "ci": in deze constructies heeft het verschillende functies: onpersoonlijke marker (volerci) of locatief/partikel bij metterci.
Samenvatting — de korte geheugensteun
- Volerci = onpersoonlijk, zegt wat nodig is: ci vuole / ci vogliono. (Bijv. ci vuole pazienza; ci vogliono due ore.)
- Metterci = persoonlijk, zegt hoeveel tijd/energie iemand erin steekt: io ci metto, tu ci metti... (Bijv. io ci metto un'ora; ci ho messo due anni.)
- Controleer altijd getalsovereenstemming bij "volerci" (un'ora → ci vuole; due ore → ci vogliono) en het gebruikte hulpwerkwoord bij voltooidheden (volerci → essere; metterci → avere).
Als je wilt, kan ik nu een verzameling korte voorbeeldzinnetjes maken per tijdsvorm (tegenwoordige tijd, verleden, toekomst, voorwaardelijke wijs) zodat je die kunt uitprinten of leren. Laat even weten of je het wilt. Buon studio!