C'è en ci sono
A1C'è en ci sono (Italiaans: 'er is' en 'er zijn')
- C'è = ci + = 'er is' (enkelvoud)
- Ci sono = ci + sono = 'er zijn' (meervoud)
Voorbeeld:
- C'è un gatto in giardino. — Er is een kat in de tuin.
- Ci sono due gatti in giardino. — Er zijn twee katten in de tuin.
Let op: 'c'è' wordt geschreven met een apostrof (c') en 'è' met accent; 'ci sono' heeft geen apostrof.
- Gebruik C'è bij enkelvoudige of ondeelbare (ontelbare) substantieven:
- C'è un libro sul tavolo. — Er is een boek op de tafel.
- C'è acqua nel bicchiere. — Er is water in het glas.
- Gebruik Ci sono bij meervoudige substantieven:
- Ci sono molti libri sul tavolo. — Er liggen veel boeken op de tafel.
- Ci sono tre sedie nella stanza. — Er zijn drie stoelen in de kamer.
Collectieve en ontelbare woorden (uitzonderingen)
Sommige woorden zoals 'gente' (mensen, volk) zijn grammaticaal enkelvoud in het Italiaans en gebruiken daarom C'è:
- C'è molta gente in piazza. — Er is veel volk op het plein. (Niet: *Ci sono molta gente.)
Maar als je 'persone' (personen) gebruikt, gebruik je ci sono:
- Ci sono molte persone in fila. — Er staan veel mensen in de rij.
Getallen en hoeveelheden
- Als er een getal vóór het zelfstandig naamwoord staat, gebruik je altijd ci sono:
- Ci sono 10 studenti nella classe. — Er zijn 10 studenten in de klas. (Niet: *C'è 10 studenti.)
Tijden en varianten
- Tegenwoordige tijd: C'è / Ci sono
- C'è un problema. — Er is een probleem.
- Ci sono due problemi. — Er zijn twee problemen.
- Imperfetto: C'era / C'erano (er was / er waren)
- C'era una bella casa lì. — Er stond daar een mooi huis.
- C'erano molte persone ieri. — Er waren veel mensen gisteren.
- Passato prossimo: C'è stato / Ci sono stati (er is geweest / er zijn geweest)
- Ieri c'è stato un incidente. — Gisteren is er een ongeluk gebeurd.
- Ieri ci sono stati tre incidenti. — Gisteren waren er drie ongelukken.
- Futuro: Ci sarà / Ci saranno (er zal zijn / er zullen zijn)
- Domani ci sarà una festa. — Morgen is er een feestje.
- Domani ci saranno molte persone. — Morgen zullen er veel mensen zijn.
- Condicionale: Ci sarebbe / Ci sarebbero (er zou zijn / er zouden zijn)
- Ci sarebbe bisogno di aiuto. — Er zou hulp nodig zijn.
- Negatief maak je 'c'è' en 'ci sono' met 'non':
- Non c'è tempo. — Er is geen tijd.
- Non ci sono soldi. — Er is geen geld / er zijn geen middelen.
- Met 'nessuno/nessuna' (niemand/geen enkele):
- Non c'è nessuno in casa. — Er is niemand thuis.
- Non ci sono più ragazzi in aula. — Er zijn geen jongens meer in het lokaal.
- Vragen:
- C'è qualcuno che parla inglese? — Is er iemand die Engels spreekt?
- Ci sono domande? — Zijn er vragen?
- Chi c'è? — Wie is er? / Wie staat er?
- Ce ne sono tre. — Er zijn er drie (van hen / daarvan).
- Ce n'è uno. — Er is er één.
Voorbeelden:
- Hai mele? — Sì, ce ne sono tre. — Heb je appels? — Ja, er zijn er drie.
- C'è del pane? — No, non ce n'è più. — Is er brood? — Nee, er is geen brood meer.
Waarom 'ce' in plaats van 'ci'?
'Ce' is een fonetische aanpassing die vaak voorkomt wanneer 'ne' erbij komt. Je zegt dus niet *'ci ne sono', maar 'ce ne sono'.
- 'È' is de gewone koppelwerkwoordvorm "is" (hij/zij/het is). Het heeft geen existentiele betekenis. Bijvoorbeeld:
- È un problema. — Het is een probleem. (identificatie/karakterisering)
- C'è un problema. — Er is een probleem. (aanwezigheid/existentie)
- 'Ci vuole' / 'Ci vogliono' wordt gebruikt om duur of noodzaak aan te geven, niet hetzelfde als 'c'è/ci sono':
- Ci vuole un'ora. — Het duurt een uur / je hebt een uur nodig.
- Ci vogliono due ore. — Het duurt twee uur / je hebt twee uur nodig.
- Niet: *C'è un'ora per finire (tenzij je echt bedoelt: er is een uur aanwezig)
- Een andere veelvoorkomende constructie is 'C'è da + infinitief':
- C'è da studiare molto. — Er is veel te studeren / er moet veel geleerd worden.
- C'è da fare pulizie. — Er moet schoongemaakt worden.
- Fout: *C'è due persone. Correct: Ci sono due persone.
- Fout: *Ci sono molta gente. Correct: C'è molta gente / Ci sono molte persone.
- Fout: *Ce sono tre. Correct: Ce ne sono tre.
- Fout: c'è zonder accent: *c'e. Correct: c'è (met accent op è).
- Verwarring 'è' vs 'c'è': "È finito il lavoro" (Het werk is klaar) vs "C'è un lavoro finito" (Er is een afgewerkt werk) — let op context.
- C'è una macchina parcheggiata davanti alla porta. — Er staat een auto geparkeerd voor de deur.
- C'è qualcosa che non capisco. — Er is iets dat ik niet begrijp.
- C'è molto rumore stasera. — Er is veel lawaai vanavond.
Meervoud (Ci sono)
- Ci sono tre film in programma stasera. — Er zijn drie films op het programma vanavond.
- Ci sono problemi con la connessione. — Er zijn problemen met de verbinding.
- Ci sono studenti da tutte le nazioni. — Er zijn studenten uit alle landen.
Ontkenning
- Non c'è più latte. — Er is geen melk meer.
- Non ci sono prove sufficienti. — Er is onvoldoende bewijs.
Vragen
- C'è una farmacia aperta? — Is er een apotheek open?
- Ci sono dei volontari per questo progetto? — Zijn er vrijwilligers voor dit project?
Verleden (imperfect/pp) en toekomst
- C'era una volta un re. — Er was eens een koning.
- Ieri c'è stato un incidente in centro. — Gisteren was er een ongeluk in het centrum.
- Tra un'ora ci saranno i risultati. — Over een uur zullen de resultaten er zijn.
Met 'ne' en 'ce']
- Quante sedie ci sono? — Ce ne sono cinque. — Hoeveel stoelen zijn er? — Er zijn er vijf.
- C'è del pane? — Sì, ce n'è ancora un po'. — Is er brood? — Ja, er is nog wat.
Idiomatische voorbeelden
- C'è chi dice che... — Er zijn mensen die zeggen dat...
- C'è da vedere. — Het valt nog te bezien (er is nog iets te bekijken of uit te zoeken).
- Gebruik C'è met enkelvoud en ontelbare zelfstandige naamwoorden.
- Gebruik Ci sono met meervoud.
- Met 'ne' gebruik je 'ce ne è' / 'ce ne sono' (niet *'ci ne').
- Voor tijden: c'era/c'erano (imperfect), c'è stato/ci sono stati (passato prossimo), ci sarà/ci saranno (futuro).
Glossarium
- ci: locatief voornaamwoord, betekent hier 'er' of 'daar'.
- è / sono: vormen van het werkwoord essere (zijn).
- ne: voornaamwoord dat 'ervan' of 'daarvan' betekent (van hen / daarvan).
- C'è da + infinitief: uitdrukking die aangeeft dat iets gedaan moet worden (er is te...).
Kort advies voor Nederlandssprekende leerlingen
- Denk aan 'er is' (c'è) en 'er zijn' (ci sono). Controleer altijd of het zelfstandig naamwoord enkelvoud of meervoud is.
- Let op woorden als 'gente' (enkelvoud) en getallen (altijd ci sono).
- Oefen met voorbeelden in verschillende tijden (c'era, c'è stato, ci sarà) om te wennen aan de congruentie.
Einde van de uitleg. Succes met leren!