Werkwoorden die 'à' of 'de' vóór infinitieven vereisen

B2

Werkwoorden gevolgd door 'à' of 'de' vóór infinitieven

Vertaling van de titel
Werkwoorden die 'à' of 'de' vóór het infinitief vereisen (Frans → Nederlands): "Werkwoorden die 'à' of 'de' vóór infinitieven vereisen".
Wat betekent dit?
In het Frans kunnen werkwoorden gevolgd worden door een infinitief (de basisvorm van een werkwoord). Sommige werkwoorden laten het infinitief direct volgen (geen voorzetsel), andere vereisen vóór het infinitief het voorzetsel à of het voorzetsel de. Welke voorzet‑sel hoort bij welk werkwoord is vaak idiomatisch — je leert het per werkwoord of per groep werkwoorden.

Voorbeelden kort:
- J'essaie de comprendre. (Ik probeer het te begrijpen.)
- Il commence à travailler. (Hij begint te werken.)
- Je demande à Paul de venir. (Ik vraag Paul om te komen.)

Wanneer gebruik je 'à' of 'de' voor een infinitief?
Er bestaat geen één eenvoudige regel die áltijd werkt. Toch zijn er duidelijke tendensen:
  • Veel werkwoorden die handelen over starten, doorgaan, slagen, helpen enz. volgen met à + infinitief: commencer à, réussir à, aider à.
  • Veel werkwoorden die handelen over stoppen, proberen, beslissen, beloven, vermijden enz. volgen met de + infinitief: arrêter de, essayer de, décider de, promettre de, éviter de.
  • Sommige werkwoorden kunnen beide hebben (continuer à / continuer de), vaak zonder groot verschil in betekenis.
  • Andere werkwoorden hebben vaste combinaties die je simpelweg moet onthouden.
Hoe wordt dit gevormd?
Standaardopbouw Onderwerp + vervoegd werkwoord + (à/de) + infinitief.
  • Il commence à lire. (Hij begint te lezen.)
  • Nous avons décidé de partir. (Wij hebben besloten te vertrekken.)

Negatie
Het voorzetsel blijft staan bij een ontkenning:
- Il n'a pas réussi à venir. (Het is hem niet gelukt te komen.)
- Elle n'a pas oublié de téléphoner. (Ze is niet vergeten te bellen.)

Voltooid infinitief (infinitif passé)
Na à of de kun je ook een voltooid infinitief zetten (om een voorgaande handeling te noemen):
- Je regrette d'avoir dit. (Ik betreur dat ik dat gezegd heb.)
- Elle est contente d'avoir réussi. (Ze is blij dat ze geslaagd is.)

Voornaamwoorden en personen
Soms staat een persoon tussen het hoofdwerkwoord en de infinitief (zie speciale constructie hieronder). Voorbeeld met objectpronomen:
- Il m'a empêché de partir. (Hij heeft me verhinderd te vertrekken.)
- Elle nous aide à comprendre. (Zij helpt ons te begrijpen.)

Veelvoorkomende werkwoorden die 'à' nemen (met voorbeelden)
  • aider à — Elle aide son frère à faire ses devoirs. (Ze helpt haar broer zijn huiswerk te maken.)
  • apprendre à — J'apprends à conduire. (Ik leer autorijden.) / Le professeur apprend aux élèves à écrire. (De leraar leert de leerlingen schrijven.)
  • arriver à — Il arrive à finir le travail. (Het lukt hem het werk af te maken.)
  • commencer à — Nous commençons à manger. (We beginnen te eten.)
  • continuer à / continuer de — Elle continue à travailler. / Il continue de lire. (Zij blijft werken. / Hij blijft lezen.)
  • s'habituer à — Je me suis habitué à vivre en ville. (Ik ben gewend te wonen in de stad.)
  • hésiter à — N'hésite pas à demander. (Aarzel niet om te vragen.)
  • inviter à — Je t'invite à venir. (Ik nodig je uit te komen.)
  • réussir à — Elle a réussi à résoudre le problème. (Het is haar gelukt het probleem op te lossen.)
  • servir à — Ce couteau sert à couper le pain. (Dit mes dient om brood te snijden.)
  • se mettre à — Il s'est mis à pleuvoir. (Het begon te regenen.)
  • tenir à — Je tiens à vous remercier. (Ik wil u graag bedanken / ik hecht eraan u te bedanken.)
  • songer à / penser à — Je pense à partir demain. (Ik denk eraan morgen te vertrekken.)
  • encourager à — Les professeurs encouragent les élèves à lire. (De leraren moedigen de leerlingen aan te lezen.)
  • obliger / forcer à — La loi oblige les entreprises à divulguer... (De wet verplicht bedrijven om...)
Veelvoorkomende werkwoorden die 'de' nemen (met voorbeelden)
  • arrêter de — Il a arrêté de fumer. (Hij is gestopt met roken.)
  • cesser de — Elle a cessé de pleurer. (Ze is gestopt met huilen.)
  • essayer de — J'essaie de comprendre. (Ik probeer het te begrijpen.)
  • décider de — Nous avons décidé de partir. (We hebben besloten te vertrekken.)
  • oublier de — N'oublie pas de téléphoner. (Vergeet niet te telefoneren.)
  • promettre de — Il a promis de revenir. (Hij heeft beloofd terug te komen.)
  • éviter de — Il évite de répondre. (Hij ontwijkt het antwoord.)
  • finir de — J'ai fini de manger. (Ik ben klaar met eten.)
  • refuser de — Elle a refusé de signer le contrat. (Zij weigerde het contract te tekenen.)
  • regretter de — Je regrette d'avoir dit cela. (Ik betreur dat ik dat gezegd heb.)
  • risquer de — Il risque de pleuvoir. (Het kan gaan regenen.)
  • craindre de — Je crains de me tromper. (Ik vrees me te vergissen.)
  • s'abstenir de — Ils se sont abstenus de voter. (Ze hebben zich onthouden van stemmen.)
  • empêcher quelqu'un de — Il a empêché Paul de sortir. (Hij verhinderde Paul te vertrekken.)
  • avoir besoin de — J'ai besoin de partir. (Ik moet/wil vertrekken.)
  • choisir de — Elle choisit de rester. (Ze kiest te blijven.)
  • rêver de — Je rêve de voyager. (Ik droom ervan te reizen.)
Constructie: à + persoon + de + infinitief (vragen, bevelen, toestemming...)
Sommige werkwoorden hebben twee aanvullingen: eerst de persoon (met à), daarna de handeling (met de + infinitief). Dit is een veelvoorkomende valkuil voor Nederlandstaligen, want Nederlands gebruikt vaak 'om te'. Voorbeeldstructuur: VERB + à + iemand + de + infinitief
  • demander — Je demande à Paul de venir. (Ik vraag Paul om te komen.)
  • dire — Je lui ai dit de partir. (Ik heb hem gezegd te vertrekken.)
  • ordonner — Le juge a ordonné à l'entreprise de fermer. (De rechter heeft het bedrijf bevolen te sluiten.)
  • permettre — Les parents permettent à l'enfant de sortir. (De ouders laten het kind naar buiten gaan.)
  • interdire — On a interdit aux spectateurs de fumer. (Men heeft de toeschouwers verboden te roken.)
  • conseiller — Je conseille à mon ami de prendre ce livre. (Ik raad mijn vriend aan dit boek te nemen.)

Voorbeelden met voornaamwoorden:
- Je lui ai demandé de venir. (Ik heb hem gevraagd te komen.)
- Il nous a obligés à attendre. (Hij dwong ons te wachten.) — let op: obliger à wordt gebruikt als het onderwerp verplicht; bij iemand verplichten om iets te doen: obliger quelqu'un à faire quelque chose.

Werkwoorden die géén voorzetsel gebruiken (directe infinitief)
Veel modale en waarnemingswerkwoorden volgen direct door een infinitief, zonder à of de:
  • vouloir — Je veux partir. (Ik wil vertrekken.)
  • pouvoir — Je peux venir. (Ik kan komen.)
  • devoir — Tu dois étudier. (Je moet studeren.)
  • savoir — Il sait nager. (Hij kan zwemmen.)
  • aller — Nous allons manger. (We gaan eten.)
  • laisser — Laisse-moi expliquer. (Laat me uitleggen.)
  • faire (causatief) — Je fais réparer la voiture. (Ik laat de auto repareren.)
  • voir / entendre / sentir / regarder (werkwoorden van waarneming) — Je l'ai vu partir. / Je l'ai entendu chanter. (Ik zag hem vertrekken. / Ik hoorde hem zingen.)
  • aimer / adorer / détester / préférer — J'aime lire. (Ik hou van lezen.)
Werkwoorden die beide kunnen of van betekenis veranderen
1. continuer à / continuer de
  • Beide vormen komen voor en betekenen meestal hetzelfde: "continuer à travailler" / "continuer de travailler".

2. commencer à / commencer de
- "commencer à" is in alledaags gebruik het meest gebruikelijk; "commencer de" is meer literair en komt minder voor. Gebruik bij twijfel "commencer à".

3. se décider à vs décider de
- Se décider à (reflexief) = to get oneself to do sth: Elle s'est décidée à partir. (Ze besloot uiteindelijk te vertrekken.)
- Décider de (transitief) = to decide: Elle a décidé de partir. (Ze heeft beslist te vertrekken.)

4. penser à / penser de
- Je pense à partir. (Ik denk eraan te vertrekken / ik overweeg te vertrekken.)
- Que penses-tu de ce film? (Wat vind je van deze film?) — "penser de" wordt gebruikt om iemands mening te vragen over iets; "penser à" betekent eerder denken aan / overwegen / eraan denken.

Veelgemaakte fouten (en hoe ze te vermijden)
  • Fout: *Je veux de partir. Correct: Je veux partir. (vouloir neemt geen voorzetsel)
  • Fout: *Je demande Paul venir. Correct: Je demande à Paul de venir. (vraag: à + persoon + de + infinitief)
  • Fout: *Je commence de travailler. Correct: Je commence à travailler. (commencer neemt meestal à)
  • Verwarring met Nederlands "om te": Niet elke Nederlandse "om te" komt overeen met hetzelfde Franse voorzetsel. Voorbeelden:
  • Ik probeer te begrijpen → J'essaie de comprendre. (de)
  • Ik begin te werken → Je commence à travailler. (à)
  • Ik vraag haar om te komen → Je lui demande de venir. (à ... de)

Praktische tip: leer werkwoorden steeds met hun voorzetsel (bijv. "essayer de", "commencer à", "demander à ... de ...").

Kort geheugensteuntje / samenvatting
  • Sommige werkwoorden volgen direct door een infinitief (vouloir, pouvoir, devoir, savoir, laisser, faire, voir...).
  • Veel werkwoorden nemen à + infinitief (aider à, commencer à, réussir à, etc.).
  • Veel werkwoorden nemen de + infinitief (essayer de, arrêter de, décider de, oublier de, éviter de, etc.).
  • Gebruik "à + persoon + de + infinitief" bij vragen/vragen aan iemand: demander/ordonner/permettre/interdire + à + iemand + de + infinitief.
  • Leer combinaties in context en onthoud uitzonderingen; maak steekwoordenlijstjes per groep.
Glossarium (korte termen)
  • Infinitief (infinitif): de basisvorm van een werkwoord (frans: chanter, partir, finir).
  • Voorzetsel (préposition): woord zoals à of de dat een relatie aangeeft.
  • Direct object / lijdend voorwerp: wie of wat de handeling ondergaat.
  • Indirect object / meewerkend voorwerp: aan wie/voor wie iets bedoeld is (in het Frans vaak met à).
  • Infinitif passé: voltooid infinitief, gevormd met avoir/être + voltooid deelwoord (d'avoir fait, d'être parti).
Aanvullende voorbeelden — korte referentielijst (Frans → Nederlands)
  • J'essaie de parler français. (Ik probeer Frans te spreken.)
  • Il a décidé de partir demain. (Hij besloot morgen te vertrekken.)
  • Nous commençons à travailler à neuf heures. (We beginnen om negen uur te werken.)
  • Je demande à Marc de m'aider. (Ik vraag Marc mij te helpen.)
  • Elle m'a empêché de sortir. (Ze heeft me verhinderd te vertrekken.)
  • Il a réussi à gagner le match. (Het is hem gelukt de wedstrijd te winnen.)
  • Ils ont promis de revenir bientôt. (Ze beloofden snel terug te komen.)
  • Je l'ai vu tomber. (Ik zag hem vallen.)
  • Tu devrais arrêter de t'inquiéter. (Je zou moeten ophouden je zorgen te maken.)
  • Elle hésite à accepter l'offre. (Ze aarzelde om de aanbieding te accepteren.)

Einde van de uitleg — onthoud: oefenen met voorbeelden en woordcombinaties is de snelste manier om goed gevoel te krijgen voor wanneer je à of de gebruikt.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York