Voltooid aanvoegende wijs (subjonctif passé)
B2Voltooid aanvoegende wijs (subjonctif passé)
De subjonctif passé (in het Nederlands vaak "voltooid aanvoegende wijs") is een samengestelde aanvoegende tijd in het Frans. Je gebruikt deze tijd in een bijzin die de aanvoegende wijs vereist (bijvoorbeeld bij twijfel, emotie, wens, noodzaak) wanneer de handeling in die bijzin voltooid is ten opzichte van het tijdstip van de hoofdzin.
Voorbeeld (algemeen):
'Je suis content que tu aies réussi.' – Ik ben blij dat je geslaagd bent.
Wanneer gebruik je de subjonctif passé?
- Wanneer de bijzin subjectieve modaliteit vraagt (twijfel, verlangen, emotie, noodzaak, oordeel) EN de handeling van die bijzin eerder voltooid is dan de hoofdzin.
Voorbeelden:
'Je suis désolé que tu n'aies pas pu venir.' – Het spijt me dat je niet kon komen.
'Je doute qu'il ait compris la question.' – Ik betwijfel of hij de vraag begrepen heeft.
- Na bepaalde voegwoorden of uitdrukkingen die de aanvoegende wijs vereisen en waarbij de handeling voltooid is:
'Il est parti sans que je l'aie vu.' – Hij vertrok zonder dat ik hem gezien had.
'Bien qu'il ait étudié, il a échoué.' – Hoewel hij gestudeerd heeft, is hij gezakt.
- Om te spreken over iets dat vóór het moment van de hoofdzin gebeurde, maar subjectief beoordeeld wordt:
'C'est dommage que vous n'ayez pas pu assister à la réunion.' – Het is jammer dat jullie niet bij de vergadering konden zijn.
Hoe wordt de subjonctif passé gevormd?
Algemene vorm
Subjonctif passé = subjonctif présent van het hulpwerkwoord (avoir of être) + participe passé van het hoofdwerkwoord.
Hulpwerkwoorden in subjonctif présent
- avoir: que j'aie, que tu aies, qu'il/elle ait, que nous ayons, que vous ayez, qu'ils/elles aient
- être: que je sois, que tu sois, qu'il/elle soit, que nous soyons, que vous soyez, qu'ils/elles soient
Voorbeelden met avoir (meestal de meeste werkwoorden)
- 'Je suis heureux que tu aies trouvé un emploi.' – Ik ben blij dat je een baan hebt gevonden.
- 'Je ne pense pas qu'il ait compris.' – Ik denk niet dat hij het begrepen heeft.
- 'C'est dommage que vous n'ayez pas reçu la lettre.' – Het is jammer dat jullie de brief niet hebben ontvangen.
Voorbeelden met être (bewegingswerkwoorden en wederkerende werkwoorden)
- 'Je suis content qu'elle soit arrivée.' – Ik ben blij dat ze aangekomen is.
- 'Nous sommes surpris qu'ils soient partis si tôt.' – We zijn verbaasd dat ze zo vroeg vertrokken zijn.
Wederkerende (pronominale) werkwoorden
Wederkerende werkwoorden gebruiken toujours être als hulpwerkwoord. Voorbeeld:
- 'Je suis content qu'elle se soit réveillée à l'heure.' – Ik ben blij dat ze op tijd wakker is geworden.
- 'Je regrette qu'ils ne se soient pas entendus.' – Ik betreur dat ze het niet met elkaar eens zijn geworden.
Overeenkomst van het participe passé (accord)
- Met être: het participe passé stemt overeen met het onderwerp van de bijzin.
'Je suis heureux qu'elle soit venue.' – 'venue' vrouwelijk enkelvoud.
- Met avoir: normaal geen overeenkomst, behalve als er een voorafgaand lijdend voorwerp (COD) staat in de bijzin; dan stemt het participe passé overeen met dat voorafgaande COD.
'Je doute qu'il ait vu Marie.' – geen overeenkomst (Marie volgt het werkwoord)
'Je doute qu'il les ait vues.' – 'les' verwijst naar (vrouwelijke) dingen die vóór het werkwoord staan → 'vues' vrouwelijk meervoud.
- Bij wederkerende werkwoorden hangt de overeenkomst af van of het wederkerend voornaamwoord echt COD is of niet (vergelijkbaar met passé composé):
'Je suis content qu'elle se soit lavée.' – overeenkomst (ze waste zichzelf)
'Je suis content qu'elle se soit lavé les mains.' – geen overeenkomst (les mains is het COD dat volgt)
Enkele onregelmatige participes (veelvoorkomend)
- être → été : 'Je suis surpris qu'il ait été absent.' – Ik ben verbaasd dat hij afwezig is geweest.
- avoir → eu : 'Je regrette qu'il ait eu des problèmes.' – Ik betreur dat hij problemen heeft gehad.
- faire → fait : 'Je suis étonné qu'il ait fait cela.' – Ik ben verbaasd dat hij dat gedaan heeft.
- dire → dit ; voir → vu ; écrire → écrit ; prendre → pris ; venir → venu
Triggers: uitdrukkingen die vaak subjunctief vragen (met voorbeelden)
- Emotie: 'Je suis heureux que...' → 'Je suis heureux que tu aies réussi.' – Ik ben blij dat je geslaagd bent.
- Twijfel/ontkenning: 'Je doute que...', 'Je ne pense pas que...' → 'Je ne pense pas qu'il ait compris.'
- Noodzaak/voorwaarde: 'Il faut que...' → 'Il faut que tu aies signé avant midi.' – Je moet ondertekend hebben voor de middag.
- Concessie: 'Bien que / Quoique...' → 'Bien qu'il ait étudié, il a échoué.'
- Negatief of ontkennend idee: 'C'est dommage que...' → 'C'est dommage que vous n'ayez pas pu venir.'
- Zonder/zonder dat: 'sans que' → 'Il est parti sans que je l'aie vu.'
Opmerking: veel van deze uitdrukkingen nemen gewoonlijk de subjonctif présent wanneer de actie tegelijk of later is; gebruik subjonctif passé wanneer de actie voltooid is.
Voorbeelden ter vergelijking: subjonctif présent versus subjonctif passé
- Tegelijk of toekomstig (subjonctif présent):
'Je suis content qu'il vienne.' – Ik ben blij dat hij komt / komt aan.
- Voltooid/anterior (subjonctif passé):
'Je suis content qu'il soit venu.' – Ik ben blij dat hij gekomen is (hij is al gekomen).
- Indicatif versus subjonctif (nuance van zekerheid):
'Je crois qu'il est arrivé.' – Ik geloof dat hij aangekomen is. (feitelijk)
'Je ne crois pas qu'il soit arrivé.' – Ik geloof niet dat hij aangekomen is. (twijfel → subj.)
Veelgemaakte fouten en aandachtspunten
1) Na 'après que' gebruiken veel sprekers onterecht de subjonctif. Algemeen juiste keuze: indicatif. Voorbeeld:
Correct: 'Après qu'il est parti, j'ai fermé la porte.' – Nadat hij vertrokken was, heb ik de deur dichtgedaan.
Fout (vermijd): 'Après qu'il soit parti...' (veel sprekers zeggen dit, maar strikt grammaticaal moet je indicatif gebruiken).
2) Verwarring tussen subjonctif présent en passé: onthoud de tijdsrelatie: present = gelijktijdig/toekomstig, passé = eerder/voltooid.
3) Foute keuze van hulpwerkwoord (avoir vs être): leer welke werkwoorden met être gaan (DR & MRS VANDERTRAMP + wederkerende werkwoorden).
4) Vergeten van overeenkomst van het participe passé bij être of bij voorafgaand COD bij avoir.
5) 'Ne explétif': sommige zinnen bevatten een 'ne' dat geen ontkenning is ('Je crains qu'il ne vienne'). Dat is iets anders dan ontkenning; let op betekenis.
Vergelijking met literaire tijden (kort)
- In zeer literaire of formele Franse teksten kom je soms de subjonctif imparfait of het subjonctif plus-que-parfait tegen (bv. 'que j'eusse fait'). Die vormen zijn zelden nodig in alledaags Frans; als leerling volstaat het om subjonctif présent en subjonctif passé goed te beheersen.
Korte samenvatting / geheugensteuntjes
- Vorm: subjonctif présent van avoir/être + participe passé.
- Gebruik: wanneer de bijzin subjunctief vereist en de handeling voltooid is vóór het referentietijdstip.
- Aandacht: keuze van hulpwerkwoord (avoir/être) en correcte overeenkomst van het participe passé.
Kort glossarium
- Subjonctif: aanvoegende wijs, drukt subjectiviteit uit (twijfel, wens, emotie ...).
- Participe passé: voltooid deelwoord (bv. allé, fait, dit, vu).
- Auxiliaire: hulpwerkwoord (avoir of être) dat nodig is voor samengestelde tijden.
- Accord: overeenkomst van het participium met onderwerp of voorafgaand lijdend voorwerp.
- Pronominaal/wederkerend werkwoord: werkwoord met wederkerend voornaamwoord (se laver), altijd met être in samengestelde tijden.
Einde. Als je wil, kan ik nu voorbeelden geven op basis van specifieke werkwoorden of veelvoorkomende uitdrukkingen die je wil oefenen.