Si-zinnen: plus-que-parfait + conditionnel passé (derde voorwaardelijke)
B2Si-zinnen: plus-que-parfait + conditionnel passé (derde voorwaardelijke)
Wat is dit en waarom gebruik je het?
Deze constructie is de Franse "derde voorwaardelijke". Je gebruikt ze om te spreken over een hypothetische situatie in het verleden — iets dat niet gebeurd is — en het gevolg dat dan wél (maar in werkelijkheid niet) zou zijn opgetreden.
Kort: het beschrijft "als X geweest was gebeurd, dan zou Y gebeurd zijn" — maar X gebeurde niet, dus Y gebeurde ook niet.
Voorbeeld (kort):
Si j'avais su, je ne serais pas venu. — Als ik het had geweten, zou ik niet gekomen zijn.
(LET OP: in het Frans past het voltooid deelwoord soms aan bij geslacht/aantal: je ne serais pas venu(e).)
Wanneer gebruik je deze constructie?
- Om spijt of berouw uit te drukken: Si j'avais su, je ne l'aurais pas fait.
- Om te speculeren over hoe iets anders had kunnen lopen: Si elle avait pris le train, elle serait arrivée à l'heure.
- Om een verklaring of verwijt te geven: Si tu m'avais dit la vérité, je t'aurais aidé.
- Om te praten over gemiste kansen of hypothetische uitkomsten in het verleden.
Hoe wordt het gevormd? (stapsgewijs)
Algemene structuur
Si + plus-que-parfait, conditionnel passé.
Je kunt ook omkeren: Conditionnel passé + si + plus-que-parfait (dan is een komma meestal niet nodig).
1) Plus-que-parfait (in de si-zin)
Vorm: hulpwerkwoord (avoir of être) in imparfait + participe passé van het hoofdwerkwoord.
- Avoir in imparfait: j'avais, tu avais, il/elle avait, nous avions, vous aviez, ils/elles avaient.
- Être in imparfait: j'étais, tu étais, il/elle était, nous étions, vous étiez, ils/elles étaient.
Voorbeelden:
- Si j'avais parlé... (parler → avoir + parlé)
- Si elle était partie... (partir → être + partie)
LET OP: werkwoorden die passé composé met être nemen, gebruiken ook être in de plus-que-parfait (en het voltooid deelwoord past zich aan in geslacht/aantal).
2) Conditionnel passé (in de hoofdzin/resultaat)
Vorm: hulpwerkwoord (avoir of être) in conditionnel présent + participe passé.
- Avoir in conditionnel présent: j'aurais, tu aurais, il/elle aurait, nous aurions, vous auriez, ils/elles auraient.
- Être in conditionnel présent: je serais, tu serais, il/elle serait, nous serions, vous seriez, ils/elles seraient.
Voorbeelden:
- …, je serais venu(e).
- …, elle aurait compris.
Overeenkomstsregel: dezelfde regels voor akkoord van het voltooid deelwoord als bij le passé composé. Bij être: het participe s'accorde met het onderwerp. Bij avoir: het participe s'accorde alleen als het lijdend voorwerp vóór het werkwoord staat.
Veel voorbeelden (met Nederlandse vertaling)
Eenvoudige, duidelijke voorbeelden
- Si j'avais su, je ne serais pas venu. — Als ik het had geweten, zou ik niet gekomen zijn. (Vrouwelijk: je ne serais pas venue.)
- Si tu m'avais appelé, je t'aurais aidé. — Als je me had gebeld, zou ik je geholpen hebben.
- Si nous avions pris le train, nous serions arrivés à l'heure. — Als we de trein hadden genomen, zouden we op tijd aangekomen zijn.
- Si elle avait étudié davantage, elle aurait réussi l'examen. — Als ze meer had gestudeerd, zou ze het examen hebben gehaald.
- Si j'avais eu de l'argent, j'aurais acheté une voiture. — Als ik geld had gehad, zou ik een auto gekocht hebben.
Negatie en reflexieve werkwoorden
- Si je n'avais pas oublié ton anniversaire, tu ne te serais pas fâché. — Als ik je verjaardag niet vergeten had, zou je niet boos geworden zijn.
- Si elle s'était blessée, elle se serait fait soigner. — Als ze zich had verwond, zou ze behandeld zijn.
Werkwoorden met être als hulpwerkwoord (akkoord zichtbaar)
- Si elle était partie plus tôt, elle serait arrivée à l'heure. — Als ze vroeger vertrokken was, zou ze op tijd aangekomen zijn.
- S'il avait été plus prudent, il ne serait pas tombé. — Als hij voorzichtiger geweest was, zou hij niet gevallen zijn.
Irreguliere participes en voorbeelden met les studied verbs
- Si j'avais vu le film, j'aurais compris la fin. — Als ik de film had gezien, zou ik het einde begrepen hebben.
- Si vous aviez réservé, il n'y aurait pas eu de problème. — Als u had gereserveerd, zou er geen probleem geweest zijn.
Hoofdzin vooraan (omkering van volgorde)
- Je serais venu si j'avais été invité. — Ik zou gekomen zijn als ik uitgenodigd was geweest.
- Il aurait réussi si elle l'avait aidé. — Hij zou geslaagd zijn als zij hem had geholpen.
Speciaal: gevolg in het heden van een gemiste kans in het verleden (mixed gebruik)
Soms zie je plus-que-parfait in de si-zin gecombineerd met conditionnel présent in de hoofdzin om een hedendaags gevolg van een verleden voorwaarde uit te drukken:
- Si j'avais étudié plus, je serais diplômé maintenant. — Als ik meer had gestudeerd, zou ik nu afgestudeerd zijn.
Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden
- Fout: Si j'aurais su... (Si + conditionnel) — Dit is fout.
Correct: Si j'avais su, ...
Uitleg: in een si-zin die verwijst naar een onwerkelijke voorwaarde in het verleden gebruik je altijd plus-que-parfait, nooit conditionnel.
- Fout: Si tu aurais été là, ... — Gebruik imparfait van hulpwerkwoord (était) in si-zin.
Correct: Si tu avais été là, ... of Si tu étais venu, ... (afhankelijk van het werkwoord).
- Fout: Onthouden van akkoord bij être-werkwoorden:
Fout: Elle serait parti. — Correct: Elle serait partie.
- Fout: verkeerde keuze van hulpwerkwoord (avoir/être).
Regel: hetzelfde hulpwerkwoord als in le passé composé. Denk aan de beweging/reflexieve werkwoorden die être nemen.
- Fout: participes niet aanpassen als het lijdend voorwerp vóór het hulpwerkwoord staat (bij avoir).
Voorbeeld: Si tu avais vu Marie, tu l'aurais reconnue. (reconnaître -> l' = Marie (v.), dus reconnue)
Vergelijking met andere si-constructies (zodat je het onderscheid ziet)
- Si + présent → futur (realistische voorwaarde):
Si tu viens, nous partirons. — Als je komt, vertrekken we.
- Si + imparfait → conditionnel présent (onwerkelijke, huidige of algemene situatie):
Si j'étais riche, j'achèterais une maison. — Als ik rijk was, zou ik een huis kopen.
- Si + plus-que-parfait → conditionnel passé (onwerkelijke situatie in het verleden):
Si j'avais été riche, j'aurais acheté une maison. — Als ik rijk geweest was, zou ik een huis gekocht hebben.
Let op het tijdsverschil: imparfait/conditionnel présent gaat over heden/niet-werkelijke situatie; plus-que-parfait/conditionnel passé over een gemiste kans in het verleden.
Tips om dit goed te gebruiken
- Leer eerst goed de imparfait-vormen van avoir en être (j'avais, j'étais) en de conditionnel présent van deze twee (j'aurais, je serais).
- Herken of een werkwoord in het Frans passé composé met être of avoir gebruikt: dat bepaalt ook de plus-que-parfait en conditionnel passé.
- Controleer altijd het voltooid deelwoord op akkoord: bij être met het onderwerp, bij avoir alleen als het lijdend voorwerp vóór het werkwoord staat.
- Luister/lees voorbeeldzinnen en vertaal ze: veel fouten komen door invloed van het Engels of Nederlands (bv. "If I would have known..."). In het Frans: nooit "Si j'aurais...".
Kort overzicht (cheat sheet)
- Vorm: Si + plus-que-parfait, conditionnel passé.
- Plus-que-parfait = imparfait (avoir/être) + participe passé.
- Conditionnel passé = conditionnel présent (avoir/être) + participe passé.
- Akkoordregels: idem als bij passé composé.
Woordenlijst (glossarium)
plus-que-parfait — de voltooid verleden tijd (had + voltooid deelwoord).
conditionnel passé (passé du conditionnel) — de voorwaardelijke verleden tijd (zou hebben/zou zijn + voltooid deelwoord).
imparfait — de onvoltooide verleden tijd (was/waren; werd gebruikt om uitgangspunt voor de plus-que-parfait te vormen).
participe passé — het voltooid deelwoord (parlé, fini, venu, etc.).
auxiliaire — hulpwerkwoord (avoir of être) dat je gebruikt om samengestelde tijden te vormen.
accord — aanpassing van het voltooid deelwoord in geslacht en aantal wanneer de regels dat vereisen.
Als je wilt, kan ik nu een samenvatting maken met alleen de belangrijkste zinnen en vormen als snelreferentie.