Plus-que-parfait (voorverleden tijd / plusquamperfectum)
B1Wat is de plus-que-parfait?
De plus-que-parfait is een samengestelde verleden tijd in het Frans (in het Engels pluperfect of past perfect). Je gebruikt deze tijd om aan te geven dat een handeling volledig voltooid was vóór een andere gebeurtenis in het verleden. Met andere woorden: het is het "verleden van het verleden".
Voorbeeld:
- Français: Il avait déjà mangé quand je suis arrivé.
- Nederlands: Hij had al gegeten toen ik aankwam.
Wanneer gebruik je de plus-que-parfait?
Voorbeelden:
- Il avait déjà quitté la maison quand nous sommes arrivés. -> Ze was het huis al uit toen wij aankwamen.
- Nous avions fini le dîner avant que le film ne commence. -> We hadden het avondeten af voor de film begon.
- Elle avait terminé ses devoirs avant midi. -> Ze had haar huiswerk voor twaalf af.
Tijdsvoorstelling
- [earlier past action] --- plus-que-parfait
- [later past action] --- passé composé / imparfait / autre passé
Voorbeelden:
- Si j'avais su, je ne serais pas venu. -> Als ik het had geweten, zou ik niet gekomen zijn.
- Si elle avait étudié, elle aurait réussi. -> Als ze had gestudeerd, zou ze geslaagd zijn.
- Si seulement il avait écouté! -> Als hij maar geluisterd had!
Voorbeeld:
- Direct: Il a dit: "J'ai déjà vu ce film." -> Indirect: Il a dit qu'il avait déjà vu ce film. (Hij zei dat hij die film al had gezien.)
Voorbeeld (literair): Dès qu'il eut terminé, ils partirent. -> (in spreektaal zou men gewoon plus-que-parfait en passé composé/imparfait gebruiken)
Hoe vorm je de plus-que-parfait?
- imparfait van het hulpwerkwoord (auxiliaire) avoir of être + participe passé (voltooid deelwoord)
Formule: [imparfait van avoir/être] + [participe passé]
- Avoir (imparfait): j'avais, tu avais, il/elle avait, nous avions, vous aviez, ils/elles avaient
- Être (imparfait): j'étais, tu étais, il/elle était, nous étions, vous étiez, ils/elles étaient
- Parler (werkwoord op -er):
- J'avais parlé. -> Ik had gesproken.
- Nous avions parlé. -> Wij hadden gesproken.
- Finir (werkwoord op -ir):
- Tu avais fini. -> Jij had beëindigd.
- Vendre (werkwoord op -re):
- Il avait vendu. -> Hij had verkocht.
- aller, venir, arriver, partir, entrer, sortir, monter, descendre, naître, mourir, rester, tomber, retourner, rentrer, passer
Voorbeelden:
- Elle était arrivée avant nous. -> Ze was voor ons aangekomen.
- Ils étaient partis quand le téléphone a sonné. -> Ze waren vertrokken toen de telefoon ging.
Opmerking: sommige werkwoorden kunnen avoir gebruiken als ze een direct object hebben (transitief):
- Il est monté. (hij is omhoog gegaan) vs Il a monté la valise. (hij heeft de koffer omhoog gedragen)
- Werkwoorden op -er → participe passé eindigt meestal op -é (parlé, mangé)
- Werkwoorden op -ir → eindigt op -i (fini)
- Werkwoorden op -re → eindigt vaak op -u (vendu)
Veelvoorkomende onregelmatige participes:
- avoir → eu
- être → été
- faire → fait
- prendre → pris
- boire → bu
- dire → dit
- écrire → écrit
- lire → lu
- voir → vu
- ouvrir → ouvert
- venir → venu
- naître → né
- mourir → mort
Voorbeeld:
- J'avais fait mes devoirs. -> Ik had mijn huiswerk gemaakt.
- Elle était venue tôt. -> Zij was vroeg gekomen.
Overeenkomst van het voltooid deelwoord (accord du participe passé)
1) Wanneer het hulpwerkwoord être is
Het participe passé stemt altijd overeen met het onderwerp (geslacht en getal).
- Il était parti. -> Hij was vertrokken.
- Elle était partie. -> Zij was vertrokken.
- Ils étaient partis. -> Zij waren vertrokken (mannelijk of gemengd).
- Elles étaient parties. -> Zij waren vertrokken (vrl. meervoud).
2) Wanneer het hulpwerkwoord avoir is
Meestal geen overeenkomst. Maar als het lijdend voorwerp (direct object) vóór het werkwoord staat (bv. door een betrekkelijk voornaamwoord que of een voornaamwoord zoals le/la/les), dan moet het participe passé overeenkomen met dat voorafgaande direct object.
Voorbeelden:
- J'avais mangé les pommes. (geen voorafgaand voorwerp) -> J'avais mangé.
- Les pommes que j'avais mangées étaient bonnes. ("les pommes" staat vóór het werkwoord) -> mangées (vrl. mv.)
- La lettre qu'il avait écrite était longue. -> écrite (vrl. enk.)
3) Pronominale (wederkerende) werkwoorden
Wederkerende werkwoorden gebruiken meestal être. De overeenkomstregels zijn iets complexer:
- Als het wederkerend voornaamwoord (me/te/se/nous/vous) het directe voorwerp is, dan komt het participe passé overeen met het onderwerp.
- Elle s'était lavée. -> Zij had zich gewassen.
- Als het wederkerend voornaamwoord een indirect object is en er is een direct object ná het werkwoord, dan is er geen overeenkomst met het onderwerp.
- Elle s'était lavé les mains. -> Zij had haar handen gewassen. (geen -e aan lavé)
Negatie en vraagvorm
Negatie
Plaats de ontkennende partities rond het imparfait van het hulpwerkwoord:
- Je n'avais pas vu. -> Ik had het niet gezien.
- Nous n'étions jamais venus. -> Wij waren nooit gekomen.
- Elle ne s'était rien dit. -> Ze had elkaar niets gezegd.
Vraagvormen
- Est-ce que + normale volgorde: Est-ce que tu avais déjà vu ce film? -> Had je die film al gezien?
- Inversie: Avais-tu déjà vu ce film? -> Had jij die film al gezien?
- Met vraagwoord: Pourquoi était-elle partie si tôt? -> Waarom was ze zo vroeg vertrokken?
Veelvoorkomende fouten en hoe ze te vermijden
1) Fout: si + conditionnel in plaats van si + plus-que-parfait
- Fout: Si j'aurais su, je ne serais pas venu.
- Goed: Si j'avais su, je ne serais pas venu.
2) Verkeerd hulpwerkwoord gebruiken
- Fout: Il avait parti.
- Goed: Il était parti.
(Vergelijk: Il a parti la valise. → Il a monté/Il a sorti la valise (afhankelijk van context).)
3) Vergeten akkoord bij voorafgaand lijdend voorwerp
- Fout: Les lettres qu'il avait écrit étaient sur la table.
- Goed: Les lettres qu'il avait écrites étaient sur la table.
4) Verwarring met imparfait en passé composé
- Imparfait используется для achtergrond of herhaling: Je lisais quand il est entré.
- Plus-que-parfait gebruikt om te zeggen wat al gebeurd was vóór een andere verleden gebeurtenis: J'avais lu le livre avant de voir le film.
Uitgebreide voorbeelden per categorie
Eenvoudige situaties (vroegere gebeurtenis)
- Il avait déjà mangé quand je suis arrivé. -> Hij had al gegeten toen ik aankwam.
- J'avais fini mes devoirs avant le dîner. -> Ik had mijn huiswerk af vóór het avondeten.
Met être als hulpwerkwoord
- Nous étions déjà partis quand tu as téléphoné. -> We waren al vertrokken toen je belde.
- Elle était née en 1990. -> Zij was in 1990 geboren.
Pronominal / wederkerend
- Ils s'étaient rencontrés à l'université. -> Ze hadden elkaar op de universiteit ontmoet.
- Elle s'était souvenu de l'adresse. -> Ze had zich het adres herinnerd.
Voorafgaand lijdend voorwerp (accord met que / le/la/les)
- La robe que j'avais achetée était trop grande. -> De jurk die ik gekocht had was te groot.
- Les chansons qu'il avait chantées étaient populaires. -> De liedjes die hij gezongen had waren populair.
Si + plus-que-parfait (voorwaarde in het verleden)
- Si j'avais su, je ne serais pas parti. -> Als ik het had geweten, zou ik niet vertrokken zijn.
- Si nous avions pris le train, nous serions arrivés plus tôt. -> Als we de trein hadden genomen, zouden we eerder aangekomen zijn.
Negatie en vraagvoorbeelden
- Je n'avais rien compris. -> Ik had niets begrepen.
- N'aviez-vous pas déjà fini? -> Was u toen niet al klaar?
- Est-ce qu'il avait déjà vu ce film? -> Had hij die film al gezien?
Kort overzicht / handige vuistregels
- Formule: imparfait van avoir/être + participe passé.
- Gebruik plus-que-parfait om een actie te tonen die voltooid was vóór een andere gebeurtenis in het verleden.
- Kies être als hulpwerkwoord voor beweging/overgangswerkwoorden en voor pronominale werkwoorden (maar let op uitzonderingen bij transitieve vormen).
- Let op accord (overeenkomst): être → participe passé stemt overeen met het onderwerp; avoir → alleen overeenkomst als het rechtstreeks object vóór het werkwoord staat.
- Bij si-zinnen voor onrealistische verleden situaties: si + plus-que-parfait → conditionnel passé.
Glossarium
- Imparfait: een verleden tijd die achtergrond-of herhalingssituaties beschrijft (j'étais, tu étais, nous étions...).
- Participe passé: voltooid deelwoord (parlé, fini, vendu, eu, été, etc.).
- Auxiliaire: hulpwerkwoord (avoir of être) dat gebruikt wordt bij samengestelde tijden.
- Accord (overeenkomst): aanpassing van het participe passé in geslacht en getal.
- Pronominaal werkwoord: werkwoord dat met een wederkerend voornaamwoord gebruikt wordt (se laver, s'appeler...).
Slotopmerking
De plus-que-parfait is essentieel om volgorde in het verleden duidelijk te maken. Oefen vooral met voorbeelden waarin twee verleden gebeurtenissen plaatsvinden: kies welke gebeurtenis eerder gebeurde en zet die in plus-que-parfait. Let bij het schrijven op het juiste hulpwerkwoord (avoir of être) en op de akkoordregels van het participe passé.