Partitieve lidwoorden (du, de la, de l', des)
A1Partitieve lidwoorden in het Frans: du, de la, de l', des
In dit artikel leg ik stap voor stap uit wat de partitieve lidwoorden (du, de la, de l', des) in het Frans betekenen, wanneer je ze gebruikt, hoe ze gevormd worden en welke uitzonderingen je moet kennen. Voor elke regel geef ik meerdere Franse voorbeelden met een Nederlandse vertaling en korte uitleg.
Wat zijn partitieve lidwoorden en waarom bestaan ze?
Partitieve lidwoorden geven een onbepaalde hoeveelheid aan van iets: een deel van iets, een onbepaald aantal of een beetje van een massa. Ze beantwoorden in het Engels vaak aan "some" of "any" en in het Nederlands vaak aan geen lidwoord (bij massanamen) of aan "wat/een beetje".
Voorbeelden:
Je mange du pain. — Ik eet brood / Ik eet wat brood. (deel van brood)
Elle boit de l'eau. — Zij drinkt water. (de l' omdat eau met een klinker begint)
J'achète des pommes. — Ik koop appels / Ik koop wat appels. (onbepaald aantal)
Hoe worden ze gevormd? (du, de la, de l', des)
- du = mannelijk enkelvoud (vaak vóór een medeklinker) — voorbeeld: du pain
- de la = vrouwelijk enkelvoud — voorbeeld: de la confiture
- de l' = vóór een klinker of een h-muet (enkelvoud) — voorbeeld: de l'eau
- des = meervoud (pluriel) — voorbeeld: des pommes
Voorbeelden:
Je prends du fromage. — Ik neem wat kaas.
Elle veut de la salade. — Zij wil wat salade.
Nous buvons de l'eau. — Wij drinken water.
Ils ont des amis. — Zij hebben vrienden.
Let op: du en des kunnen ook voortkomen uit de samentrekking van de voorzetselcombinatie de + le/les (bijvoorbeeld: le livre du professeur = het boek van de leraar). Context bepaalt of het partitieflidwoord is of een samentrekking.
Wanneer gebruik ik partitieven?
Gebruik partitieven in de volgende situaties:
- Bij onbepaalde hoeveelheden van massanamen (bron: niet-telbaar in betekenis): Je bois de l'eau. — Ik drink water.
- Bij een onbepaald aantal telbare dingen: J'achète des pommes. — Ik koop appels / wat appels.
- Bij het aanbieden of bestellen van eten/drinken: Tu veux du sucre ? — Wil je wat suiker?
Vergelijking met het Nederlands: veel Nederlandse massanamen staan zonder lidwoord (Ik drink water), terwijl het Frans vaak de partitieven gebruikt (Je bois de l'eau).
Verschil met onbepaalde en bepaalde lidwoorden (un/une/des en le/la/les)
- un/une = één, een heel exemplaar: Je veux un gâteau. — Ik wil een taart (één hele taart).
- des = meervoudig onbepaald (some/few): J'ai des livres. — Ik heb boeken / enkele boeken.
- du/de la/de l'/des (partitief) = een deel/een beetje/een onbepaalde hoeveelheid: Je veux du gâteau. — Ik wil wat taart (een stuk of een deel van taart).
- le/la/les (bepaald) = algemeenheid of het specifieke ding: J'aime le chocolat. — Ik houd van chocolade (in het algemeen).
Voorbeeld om het verschil te voelen:
Je veux un croissant. — Ik wil een (hele) croissant.
Je veux du gâteau. — Ik wil wat taart.
J'aime le chocolat. — Ik hou van chocolade (algemeen), niet: ik eet zomaar wat chocolade nu.
Negatie: verandert het lidwoord na een ontkenning?
Algemene regel: na een ontkenning (ne...pas, ne...jamais, ne...plus, enz.) verandert het partitieflidwoord of het onbepaald lidwoord meestal in de negatieve partikel de (of d' vóór klinker).
Voorbeelden:
J'ai du pain. — Je n'ai pas de pain. (Ik heb brood / Ik heb geen brood.)
Elle a des enfants. — Elle n'a pas d'enfants. (Zij heeft kinderen / Zij heeft geen kinderen.)
Uitzondering: bij de koppelwerkwoordsvorm met être (en bij zinnen met c'est / ce sont) blijft het artikel vaak onveranderd:
C'est du fromage. — Ce n'est pas du fromage. (Dat is kaas / Dat is geen kaas.)
Ce sont des étudiants. — Ce ne sont pas des étudiants. (Dat zijn studenten / Dat zijn geen studenten.)
Tip: Als je twijfelt, kijk of er een koppelwerkwoord (être) staat of een gewone bezits-/handelszin; dat helpt bepalen of je de verandering maakt.
Na hoeveelheidsuitdrukkingen en telwoorden
Na woorden die een hoeveelheid aangeven gebruik je direct de voorzetselconstructie met de (zonder partitieven). Voorbeelden: beaucoup de, peu de, assez de, un kilo de, une tasse de, un verre de.
Voorbeelden:
J'ai beaucoup de travail. — Ik heb veel werk.
Il y a un kilo de pommes. — Er is een kilo appels.
Je veux une tasse de café. — Ik wil een kop koffie.
Opmerking: "quelques" is een speciaal woord dat "enkele/een paar" betekent en niet met de volgt: J'ai acheté quelques pommes. — Ik heb een paar appels gekocht.
Des wordt de vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord als er een bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord staat
Regel: wanneer het meervoudige onbepaalde lidwoord des vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord komt en dat zelfstandig naamwoord door een bijvoeglijk naamwoord voorafgegaan wordt, verandert des in de.
Voorbeelden:
J'ai des amis. — J'ai de bons amis. (niet: *J'ai des bons amis)
Il y a des filles dans la classe. — Il y a de belles filles dans la classe.
Let op: als het bijvoeglijk naamwoord ná het zelfstandig naamwoord staat, blijft des gewoon des: J'ai des idées intéressantes. — des blijft staan omdat "intéressantes" ná "idées" staat.
Du/Des als samentrekking van de + le/les: hoe maak je het verschil?
De vorm du is óók de samentrekking van de + le en des is samentrekking van de + les. Dat betekent dat dezelfde vorm twee verschillende functies kan hebben:
- partitieffunctie: Je veux du fromage. — Ik wil wat kaas.
- samentrekking (voorzetsel): Le livre du professeur. — Het boek van de leraar.
Kijk naar de context: als er een bezit/afkomst of een voorzetsel "van/uit" (de) in de zin zit en er volgt een bepaald lidwoord, is het meestal een samentrekking. Als het gaat om een onbepaalde hoeveelheid is het partitieflidwoord.
Voorbeelden:
Je viens du marché. — Ik kom van de markt. (du = de + le, voorzetsel)
Le goût du fromage est fort. — De smaak van de kaas is sterk. (du = van de)
Je prends du fromage. — Ik neem wat kaas. (partitief)
Werkwoorden van voorkeur: gebruik le/la/les i.p.v. partitieven
Bij werkwoorden die voorkeur of voorkeursaard uitdrukken (aimer, adorer, détester, préférer) gebruikt het Frans meestal het bepaalde lidwoord (le/la/les) om algemeenheden uit te drukken.
Voorbeelden:
J'aime le chocolat. — Ik houd van chocolade (in het algemeen).
J'adore la musique classique. — Ik houd erg van klassieke muziek.
Als je echter over een hoeveelheid spreekt (een stukje, wat), gebruik je partitieven:
Je veux du chocolat. — Ik wil wat chocolade.
Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden
1) Vergeten dat het Frans partitieven gebruikt waar het Nederlands vaak géén lidwoord gebruikt:
Ik drink water. (NL) → Je bois de l'eau. (FR)
2) Niet veranderen naar de na ontkenning:
FOUT: Je n'ai pas du pain. → GOED: Je n'ai pas de pain.
3) des gebruiken vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord met een voorafgaand bijvoeglijk naamwoord:
FOUT: J'ai des grands chiens. → GOED: J'ai de grands chiens.
4) du verwarren met de + le (bezits-/herkomstfunctie):
Controleer of er een voorzetsel of bezitssituatie is ("van/uit"); dat geeft vaak du = de + le aan in plaats van partitieffunctie.
Handige geheugensteuntjes (kort)
- Massanamen / onbepaalde hoeveelheid → du / de la / de l' / des.
- Ontkenning → meestal de / d' (behalve bij être/c'est).
- Na hoeveelheidswoord (beaucoup, un kilo, une tasse...) → altijd de / d'.
- Bij voorkeur/algemene uitspraken (aimer, préférer) → le / la / les.
- Voorafgaand bijvoeglijk naamwoord + meervoud → des wordt de.
Uitgebreide voorbeeldset per categorie (met korte uitleg)
Massanamen / partitieven:
Je mange du pain. — Ik eet brood / wat brood. (deel van een massa)
Elle boit de l'eau. — Zij drinkt water. (de l' vóór klinker)
Nous achetons de la viande. — Wij kopen vlees.
Telbare, onbepaalde aantallen (des):
J'achète des pommes. — Ik koop appels (enkele / een aantal).
Ils ont des amis à Paris. — Zij hebben vrienden in Parijs.
Bestelling / aanbieden:
Tu veux du sucre ? — Wil je wat suiker?
Je voudrais de la soupe, s'il vous plaît. — Ik zou graag wat soep willen.
Contrasten un/du:
Je veux un gâteau. — Ik wil één taart.
Je veux du gâteau. — Ik wil wat taart.
Negatie:
J'ai du pain. — Je n'ai pas de pain. (geen brood)
Elle a des enfants. — Elle n'a pas d'enfants. (geen kinderen)
Uitz.: C'est du vin. — Ce n'est pas du vin. (blijft du)
Na hoeveelheden:
J'ai beaucoup de travail. — Ik heb veel werk.
Il y a un kilo de pommes. — Er is een kilo appels.
Des → de vóór bijvoeglijke naamwoorden:
J'ai des amis. — J'ai de bons amis. (niet: *des bons amis)
J'ai des voitures. — J'ai de belles voitures. (niet: *des belles voitures)
Samentrekking (de + le / de + les):
Le livre du professeur. — Het boek van de leraar. (du = de + le)
Je viens du marché. — Ik kom van de markt. (du = van de)
Algemene uitspraak vs hoeveelheid (aimer):
J'aime le fromage. — Ik houd van kaas (in het algemeen).
Je prends du fromage. — Ik neem wat kaas.
Korte glossarium
- Partitief / partitive lidwoord: geeft een onbepaalde hoeveelheid aan (du, de la, de l', des).
- Massanaam (ontelbaar, français: "nom non comptable"): woord dat een stof of abstractie aanduidt (ex.: "eau", "pain").
- Telbaar zelfstandig naamwoord: je kunt het tellen (ex.: "une pomme", "trois maisons").
- Bijvoeglijk naamwoord (adjectif): woord dat een zelfstandig naamwoord beschrijft; als het vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord staat, verandert des vaak in de.
Samenvattend: de belangrijkste regels in één oogopslag
- Gebruik du / de la / de l' / des om onbepaalde hoeveelheden of delen aan te geven.
- Vervang partitieven door de / d' na ontkenning (uitzondering: être/c'est behoudt vaak het artikel).
- Na woorden die hoeveelheid uitdrukken (beaucoup, un kilo, une tasse...) gebruik je de / d'.
- Gebruik le / la / les bij algemene voorkeuren (j'aime, je préfère).
- Voorafgaand bijvoeglijk naamwoord + meervoud → des wordt de.
Als je deze regels en voorbeelden een paar keer leest en oefent, worden de verschillen vanzelf duidelijker. Bij twijfel: let op of het Frans 'een beetje/een deel' (partitief), 'een heel exemplaar' (un/une) of 'het algemene ding' (le/la/les) bedoelt — dat bepaalt welk lidwoord je nodig hebt.
Veel succes met oefenen!