Nabije toekomst (futur proche: aller + infinitief)

A2

Wat is de nabije toekomst (futur proche: aller + infinitief)?

De "nabije toekomst" in het Frans — het futur proche — wordt gevormd met het werkwoord aller (in de tegenwoordige tijd) + een infinitief. Het gebruik geeft aan dat iets in de (meestal directe) toekomst zal gebeuren: een plan, een bedoeling, een voorspelling op basis van de huidige situatie of iets dat op het punt staat te gebeuren.

Voorbeeld (basis):
Je vais manger. — Ik ga eten.

Wanneer gebruik je de nabije toekomst?

- Voor plannen of voornemens: iets dat je van plan bent te doen.
Je vais acheter un livre. — Ik ga een boek kopen.

- Voor iets dat direct of bijna vanzelfsprekend gaat gebeuren (voorspelling op basis van de situatie).
Il va pleuvoir. — Het gaat regenen.

- Voor handelingen die op het punt staan te gebeuren (imminent).
Je vais sortir maintenant. — Ik ga nu naar buiten.

- In spreektaal is het de meest gebruikte manier om over de toekomst te praten; in geschreven, formeel Frans zie je vaker de futur simple.

Hoe vorm je de nabije toekomst?

Conjugatie van aller (présent)
je vais
tu vas
il/elle/on va
nous allons
vous allez
ils/elles vont

Stappen om te vormen
1) Kies het onderwerp (je, tu, il, ...).
2) Vervoeg aller in de présent volgens dat onderwerp.
3) Voeg de infinitief van het hoofdwerkwoord toe (niet vervoegd).

Voorbeelden per persoon:
Je vais partir. — Ik ga vertrekken.
Tu vas étudier. — Jij gaat studeren.
Il va arriver demain. — Hij komt morgen aan.
Nous allons dîner à huit heures. — Wij gaan om acht uur eten.
Vous allez comprendre. — U/jullie gaat/begrijpt het.
Ils vont travailler. — Zij gaan werken.

Let op: volgorde van woorden
Onderwerp + aller (conj.) + (voornaamwoord, indien nodig) + infinitief + overige zinsdelen.
Voornaamwoorden die bij de infinitief horen, staan vóór die infinitief (zie verder).

Voorbeelden: eenvoudige zinnen en tijdsaanduidingen
Je vais manger maintenant. — Ik ga nu eten. Nous allons partir dans dix minutes. — We vertrekken over tien minuten. Il va bientôt neiger. — Het gaat binnenkort sneeuwen. Elle va accoucher demain. — Zij gaat morgen bevallen. On va commencer tout de suite. — We/men gaat meteen beginnen.
Voornaamwoorden en plaatsing (le, la, lui, y, en, me, te, se, ...)
Voornaamwoorden die betrekking hebben op het infinitief worden vóór dat infinitief geplaatst.

Voorbeelden:
Je vais le voir. — Ik ga hem/het zien. (niet: *Je le vais voir)
Je vais lui parler. — Ik ga met hem/haar praten.
Je vais te le donner. — Ik ga het jou geven.
Je vais me lever. — Ik ga opstaan (reflexief).
Je vais y aller. — Ik ga daarheen / Ik ga erheen.
Je vais en prendre. — Ik ga er (wat) van nemen.

Meerdere voornaamwoorden in één zin volgen de gebruikelijke woordvolgorde (me/te/se/nous/vous → le/la/les → lui/leur → y → en):
Je vais te le donner. — Ik ga het je geven.
Je vais le lui expliquer. — Ik ga het hem/haar uitleggen.

Negatie houd je om het vervoegde aller heen (ne ... pas / ne ... jamais / ne ... plus), maar de voornaamwoorden blijven voor de infinitief:
Je ne vais pas le faire. — Ik ga het niet doen.
Je ne vais jamais y aller. — Ik ga daar nooit heen.

Vragen: drie veelgebruikte vormen
1) Intonatie (in spreektaal): Tu vas partir demain ? — Ga je morgen vertrekken?

2) Met est-ce que:
Est-ce que tu vas partir demain ? — Ga je morgen vertrekken?

3) Inversie (formeler):
Vas-tu partir demain ? — Ga jij morgen vertrekken?

Werkwoorden die een voorzetsel vragen (à / de) vóór het infinitief
Sommige werkwoorden hebben een vaste constructie met een voorzetsel vóór het infinitief; die voorzetsel blijft staan met futur proche.

Voorbeelden:
Je vais commencer à étudier. — Ik ga beginnen met studeren.
Je vais essayer de comprendre. — Ik ga proberen te begrijpen.
Je vais arrêter de fumer. — Ik ga stoppen met roken.

Gebruik van 'y' en 'en' met futur proche
Je vais y aller. — Ik ga daarheen. Je vais y réfléchir. — Ik ga erover nadenken. Je vais en acheter. — Ik ga er een paar van kopen / Ik ga er wat van kopen.
Verschil met andere tijdsvormen die verwarrend zijn
Futur proche vs futur simple
  • Futur proche (aller + infinitief): spreekt over iets dat meteen of binnenkort gebeurt, vaak spreektaal of geplande handelingen.
Je vais partir demain. — Ik ga morgen vertrekken.

- Futur simple: vaak formeler, verder in de toekomst of bij beloftes/voorspellingen zonder direct bewijs.
Demain, je partirai. — Morgen zal ik vertrekken.

Futur proche vs présent voor de toekomst
Soms gebruik je het présent in het Frans om een toekomstige handeling aan te geven (vooral bij een schema of vast plan):
Je pars demain. — Ik vertrek morgen. (présent gebruikt voor toekomst)
Je vais partir demain. — Ik ga morgen vertrekken. (meer nadruk op voornemen/plan)

Futur proche vs être sur le point de / venir de
- être sur le point de + infinitief = op het punt staan om te … (nog dichterbij dan aller + infinitif):
Je suis sur le point de partir. — Ik sta op het punt te vertrekken.

- venir de + infinitief = zojuist iets gedaan hebben (passé récent):
Je viens de partir. — Ik ben net vertrokken.

Veelgemaakte fouten (en correcties)
  • Fout: *Je le vais voir.
Correct: Je vais le voir. — Voornaamwoord vóór de infinitief, niet vóór aller.

- Fout: *Je vais ne pas manger.
Correct: Je ne vais pas manger. — De ontkenning omringt de vervoegde aller.

- Fout: *Je aller manger.
Correct: Je vais manger. — Aller moet vervoegd zijn naar het onderwerp.

- Fout: Te vaak futur proche gebruiken voor zeer verre toekomst of in formeel schrift; in die gevallen vaak beter de futur simple gebruiken.
Bijvoorbeeld: Dans dix ans, je serai (futur simple) riche. — Over tien jaar zal ik rijk zijn.

Tips voor leerlingen
  • Vergelijk met Nederlands: net als Nederlands "ik ga eten" gebruik je in het Frans "je vais manger" — dit maakt de constructie intuïtief voor Nederlandstaligen.
  • Leer de present-vorm van aller goed; die vorm bepaalt de hele structuur.
  • Oefen met voornaamwoorden vóór de infinitief (le, la, lui, y, en, me, te, ...).
  • Voor formele of literaire teksten kies je vaker de futur simple.
  • In gesproken Frans is de futur proche zeer gebruikelijk.
Glossarium (kort)</b]
  • Infinitief: de onvervoegde werkwoordsvorm (manger, partir, aller).
  • Vervoegen: werkwoord aanpassen aan persoon en tijd (je vais, tu vas, ...).
  • Hulpwerkwoord / semi-auxiliaire: ici 'aller' werkt samen met het infinitief om de toekomst aan te geven.
  • Lijdend voorwerp (direct object): het voorwerp waarop de handeling direct gericht is (le, la, les).
  • Meewerkend voorwerp (indirect object): persoon aan wie iets gegeven/gezegd wordt (lui, leur).
  • Reflexief voornaamwoord: me, te, se, nous, vous (bij reflexieve werkwoorden: je vais me laver).
Samenvatting
Het futur proche (aller + infinitief) is de eenvoudige, veelgebruikte manier om over de nabije toekomst te spreken in het Frans. Vorm: onderwerp + aller (présent) + infinitief. Gebruik het voor plannen, intenties, directe voorspellingen en dingen die bijna gebeuren. Let op de plaats van voornaamwoorden (direct vóór de infinitief) en zet de ontkenning rond het vervoegde aller. In spreektaal is het de meest natuurlijke toekomstvorm; in formele teksten kies je soms de futur simple.

Veel voorbeelden om te onthouden (Frans → Nederlands):
Je vais manger. — Ik ga eten.
Je ne vais pas fumer. — Ik ga niet roken.
Tu vas y aller ? — Ga je daarheen?
Nous allons commencer à huit heures. — We beginnen om acht uur.
Je vais te le donner. — Ik ga het je geven.
Il va pleuvoir. — Het gaat regenen.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York