Voorwaardelijke voltooide tijd
B2Wat is de Spaanse 'conditional perfect' (habría + participio)?
Het Spaanse condicional compuesto (ook condicional perfecto) wordt gevormd met de voorwaardelijke vorm van haber + een participio pasado: bijvoorbeeld habría + hablado, habría + comido, habría + vivido. In het Nederlands komt dit meestal overeen met "zou hebben + voltooid deelwoord" of "zou zijn + voltooid deelwoord" (bij beweging/overgangswerkwoorden).
Voorbeelden kort:
- Habría comido. (Ik zou gegeten hebben.)
- Habría ido. (Ik zou gegaan zijn.)
Wanneer gebruik je het?
Voorbeelden:
- Si hubiera estudiado, habría aprobado el examen.
(Als ik had gestudeerd, zou ik geslaagd zijn voor het examen.)
- Si no hubieras mentido, no habrías perdido su confianza.
(Als je niet had gelogen, zou je zijn vertrouwen niet hebben verloren.)
- Si hubiéramos salido antes, no habríamos perdido el tren.
(Als we eerder waren vertrokken, zouden we de trein niet hebben gemist.)
Let op: foutief is "Si habría..." — je moet in de si-bijzin de voltooide aanvoegende wijs gebruiken (hubiera/hubiese), niet de condicional.
Voorbeelden:
- No está en casa; habría salido.
(Hij is niet thuis; misschien is hij weggegaan / hij zou weggegaan zijn.)
- No encontré el documento; se lo habría dejado a otra persona.
(Ik vond het document niet; hij zal het misschien aan iemand anders hebben gegeven.)
- Probablemente habría sido más barato si lo hubiéramos comprado antes.
(Waarschijnlijk zou het goedkoper zijn geweest als we het eerder hadden gekocht.)
Vergelijking met futuro perfecto (habrá + participio):
- Habrá salido. → sterkere aanneming: "Hij zal (waarschijnlijk) weggegaan zijn" (meer zekerheid).
- Habría salido. → meer voorzichtige veronderstelling: "Hij zou misschien weggegaan zijn."
Voorbeeld:
- Me dijo que para las ocho habría terminado.
(Hij zei tegen me dat hij tegen acht uur klaar zou zijn geweest.)
- El jefe dijo que para la semana pasada ya habrían entregado el proyecto.
(De baas zei dat het project vorige week al zou zijn opgeleverd.)
Hoe maak je het?
Vorming: haber (condicional) + participio pasado
De vervoeging van haber in de condicional simple:
- yo habría
- tú habrías
- él/ella/usted habría
- nosotros/as habríamos
- vosotros/as habríais
- ellos/ellas/ustedes habrían
Daarna komt het voltooid deelwoord (participio pasado) van het hoofdwerkwoord:
- hablar → hablado (Habría hablado)
- comer → comido (Habrías comido)
- vivir → vivido (Habríamos vivido)
Voor beweging of sommige intransitieve werkwoorden vertaalt het Nederlands vaak met "zou zijn + voltooid deelwoord":
- Habría ido al cine. → Ik zou naar de bioscoop zijn gegaan.
Plaatsing van voornaamwoorden
Objectvoornaamwoorden staan vóór het hulpwerkwoord haber:
- Se lo habría dicho. (Ik zou het hem gezegd hebben.)
Niet: *Habría dicho se lo.
Onregelmatige participios (enkele belangrijke voorbeelden)
- abrir → abierto
- decir → dicho
- escribir → escrito
- hacer → hecho
- poner → puesto
- ver → visto
- romper → roto
- volver → vuelto
- morir → muerto
- cubrir → cubierto
Voorbeelden:
- Si me lo hubieras pedido, lo habría hecho.
(Als je het me had gevraagd, zou ik het gedaan hebben.)
- Habría dicho la verdad si hubiera podido.
(Hij zou de waarheid gezegd hebben als hij had gekund.)
Veelvoorkomende fouten
- "Habrá llegado" (futuro perfecto) geeft vaak een sterkere zekerheid: "Hij zal aangekomen zijn (must have arrived)."
- "Habría llegado" (condicional perfecto) is zachter of voorwaardelijk: "Hij zou aangekomen zijn / hij zou misschien aangekomen zijn." Context bepaalt de keuze.
- Ellas han escrito la carta. (niet: *han escritos)
Vergelijking met andere Spaanse tijden en met het Nederlands
- Condicional simple (haría) = "zou (doen)" in een hypothetische of beleefde context: "Haría eso si pudiera." (Ik zou dat doen als ik kon.)
- Condicional perfecto = "zou hebben gedaan" (actie in het verleden die niet plaatsvond): "Habría hecho eso si hubiera podido." (Ik zou dat gedaan hebben als ik had gekund.)
- Futuro perfecto (habrá + participio) wordt vaak gebruikt voor sterke veronderstellingen over het verleden: "Habrá llegado tarde." (Hij zal wel te laat zijn gekomen / he must have arrived late.)
- Condicional perfecto (habría + participio) is een voorzichtiger vermoeden of een hypothetische/gerapporteerde situatie: "Habría llegado tarde." (Hij zou misschien te laat zijn gekomen / reportedly might have arrived late.)
Voorbeelden:
- Si hubiera estudiado, habría aprobado el examen.
→ Als ik had gestudeerd, zou ik voor het examen geslaagd zijn.
- No está; habría salido.
→ Hij is er niet; misschien is hij weggegaan.
- Me dijo que para las ocho habría terminado.
→ Hij zei dat hij tegen acht uur klaar zou zijn geweest.
Korte glossary
Condicional compuesto / condicional perfecto — de samengestelde voorwaardelijke tijd in het Spaans (habría + participio). Correspondentie: "zou hebben"/"zou zijn" in het Nederlands.
Participio pasado (voltooid deelwoord) — de vorm als "hablado, comido, vivido, hecho, dicho" die wordt gebruikt bij perfecten.
Pluscuamperfecto del subjuntivo — de voltooide aanvoegende wijs (hubiera/hubiese + participio); vaak gebruikt in de si-bijzin bij onwerkelijke voorwaarde in het verleden.
Futuro perfecto — 'habrá + participio', vaak gebruikt voor sterke veronderstellingen over het verleden.
- Vorm: haber (condicional) + participio pasado → yo habría + participio.
- Gebruik het voor: (1) het resultaat van een niet-gebeurde voorwaarde in het verleden; (2) veronderstellingen/waarschijnlijkheid over het verleden (meer voorzichtig dan "habrá"); (3) toekomst gezien vanuit een verleden punt.
- Belangrijke buitenlandse vergelijking: Nederlands gebruikt "zou + hebben/zijn + voltooid deelwoord"; Spaans gebruikt altijd "haber + participio".
- Let op: in si-zinnen gebruik je "si + hubiera/hubiese ..." (niet "si habría ..."). Plaats voornaamwoorden vóór haber: "Se lo habría dicho."
Met deze uitleg en voorbeelden kun je herkennen wanneer je in het Spaans "habría + participio" moet gebruiken en hoe je het correct vormt en vertaalt naar het Nederlands.