Het gebruik van veelvoorkomende phrasal verbs (alledaagse tweewoordige werkwoorden)

A2

Wat zijn phrasal verbs (two-word verbs)?

Phrasal verbs zijn in het Engels combinaties van een werkwoord en een klein woordje (een particle: vaak een bijwoord of een voorzetsel) die samen één betekenis vormen. Soms is die betekenis letterlijk, vaak idiomatisch (je kunt de betekenis niet altijd uit de losse onderdelen afleiden).

Voorbeelden:
- turn off — "Turn off the light." — Doe het licht uit.
- look for — "Im looking for my keys." — Ik zoek mijn sleutels.
- get up — "She gets up at 7." — Ze staat om 7 uur op.

In het Nederlands hebben we vaak één woord (of een scheidbaar werkwoord) waar Engels een phrasal verb gebruikt: Nederlands "opstaan" = Engels "get up"; Nederlands "uitdoen" = Engels "turn off" of "take off" afhankelijk van de context.

Wanneer gebruik je phrasal verbs?

- Heel veel in gesproken en informeel Engels. Bijvoorbeeld: "Ill call you back" klinkt natuurlijk in een gesprek.
- In formele geschreven taal kies je soms liever een enkel woord: "postpone" in plaats van "put off", "remove" in plaats van "take off" (informeel kan "take off" of "remove" beide).
- Sommige phrasal verbs zijn neutraal en prima in schrijftaal: bijvoorbeeld "look into" (onderzoeken) of "set up" (opzetten).

Kies de vorm naar de situatie: spreektaal = phrasal verbs vaak handig en natuurlijk; formeel schrijven = soms liever één woord.

Hoe worden phrasal verbs gevormd?

Wat is een "particle"?
Een particle is een klein woordje dat onderdeel wordt van het werkwoord: vaak "up, off, on, out, in, away, back, down, over" etc. Soms is het een voorzetsel zoals "at, after, for, with".

- particle (bijwoord): turn off, pick up, break down.
- voorzetsel (preposition) in combinatie met een werkwoord: look at, listen to — deze noem je soms prepositional verbs of prepositionele combinaties.

Separable (scheidbaar) versus inseparable (onscheidbaar)

Scheidbare phrasal verbs: je kunt het object tussen werkwoord en particle zetten.
- "Turn off the radio." of "Turn the radio off." Beide zijn correct.
- Maar bij een voornaamwoord moet dat tussen de twee staan: "Turn it off." NIET: "Turn off it." (FOUT).

Onscheidbare / prepositionele combinaties: het object moet na het particle komen.
- "Look after the children." -> niet: "Look the children after."
- Met voornaamwoord: "Look after them." (het voornaamwoord staat ná het particle).

Eenvoudige test: probeer het object tussen werkwoord en particle te plaatsen. Als dat kan is het meestal een scheidbaar phrasal verb; als het raar is, is het waarschijnlijk een prepositionele constructie.

Transitive (overgankelijk) vs intransitive (onovergankelijk)

- Transitief: heeft een direct object nodig. Voorbeeld: "turn off the light" (je zet iets uit).
- Intransitief: heeft geen object. Voorbeeld: "I woke up at 7" (je staat op — geen object nodig).

Let op: sommige phrasal verbs kunnen beide zijn (flexibel):
- "Wake up": "I woke up." (intransitief) en "The alarm woke me up." (transitief).

Plaats van het voornaamwoord (pronoun placement)

Regel: bij scheidbare phrasal verbs komt een voornaamwoord-object TUSSEN werkwoord en particle.
- Correct: "Turn the light off." / "Turn it off."
- Onjuist: "Turn off it." (FOUT)

Bij inseparable of prepositionele verbs staat het voornaamwoord ná het particle:
- Correct: "Look after her." / "Look after her." / "Look after them."
- Onjuist: "Look them after." (FOUT)

Vervoeging en tijden

Het hoofdwerkwoord wordt gewoon vervoegd. De particle verandert niet.
- Present: "I look up the word." — Ik zoek het woord op.
- Past: "I looked up the word." — Ik zocht het woord op.
- Perfect: "I have looked up the word." — Ik heb het woord opgezocht.
- Onregelmatig voorbeeld: "take off" -> "took off" -> "has taken off".

Passieve vorm (lijdende vorm)

Phrasal verbs die transitief zijn, kunnen vaak in de passieve vorm:
- Actief: "They turned off the lights." -> Passief: "The lights were turned off."
- Actief: "She picked up the child." -> Passief: "The child was picked up."

Intransitieve phrasal verbs kunnen niet passief worden: "I woke up" -> geen *"I was woken up"* (tenzij je iemand anders bedoelt die jou wekte: "I was woken up by the alarm").

Veelvoorkomende alledaagse phrasal verbs (geordend op thema)

Beweging en richting
  • get up — "I get up at 7." — Ik sta om 7 uur op. (intransitief)
  • stand up — "Stand up, please." — Sta op, alsjeblieft.
  • sit down — "Please sit down." — Ga zitten.
  • get in / get into — "He got into the car." — Hij ging in de auto.
  • get out / get off — "Get out of the house." / "Get off the bus." — Ga uit het huis / Stap van de bus.
  • go back — "I went back home." — Ik ging terug naar huis.
  • set off — "We set off early." — We vertrokken vroeg.
  • pick up — "Ill pick you up at 6." — Ik haal je om 6 uur op. (separable)
  • drop off — "Can you drop me off at the station?" — Kun je me afzetten bij het station?
Dagelijkse handelingen (huis, kleding, spullen)
  • turn on / turn off — "Turn on the light." / "Turn off the TV." — Doe het licht aan / Zet de tv uit. (separable)
  • switch on / switch off —zelfde betekenis als turn on/off. (UK/algemeen)
  • put on — "Put on your coat." — Doe je jas aan. (separable)
  • take off — "Take off your shoes." — Doe je schoenen uit. (separable)
  • put away — "Put away your toys." — Ruim je speelgoed op. (separable)
  • pick up / put down — "Pick up the book." / "Put the book down." — Pak het boek / Leg het boek neer.
  • take out (the rubbish) — "Take out the trash." — Gooi het vuilnis weg.
  • throw away — "Throw away the old papers." — Gooi de oude papieren weg.
  • clean up / tidy up — "Clean up your room." / "Tidy up the kitchen." — Maak je kamer schoon / Ruim de keuken op.
  • wash up — "Wash up after dinner." — Werkwoord voor afwassen / je handen wassen afhankelijk van context.
Communicatie en informatie
  • call back — "Ill call you back." — Ik bel je terug.
  • call off — "They called off the match." — Ze schorsten/annuleerden de wedstrijd.
  • call up — "Call me up later." — Bel me later op.
  • speak up — "Speak up, please." — Spreek luider alsjeblieft.
  • speak out — "She spoke out about it." — Ze sprak zich erover uit.
  • bring up — "Dont bring up that topic." — Breng dat onderwerp niet ter sprake.
  • point out — "He pointed out the error." — Hij wees op de fout.
  • look up — "Look up the word in the dictionary." — Zoek het woord op in het woordenboek. (separable)
  • look for — "Im looking for my wallet." — Ik zoek mijn portemonnee.
  • find out — "I found out the truth." — Ik kwam de waarheid te weten.
  • figure out — "Can you figure it out?" — Kun je het uitzoeken/uitvinden?
  • look into — "We will look into the problem." — We zullen het probleem onderzoeken.
  • get back to — "Ill get back to you tomorrow." — Ik kom morgen bij je terug / Ik neem morgen contact op.
  • bring back — "That song brings back memories." — Dat lied roept herinneringen op.
Emoties en relaties
  • cheer up — "Cheer up!" — Kop op! (bemoedigen)
  • calm down — "Calm down, please." — Rustig, alsjeblieft.
  • break up — "They broke up last month." — Ze zijn vorige maand uit elkaar gegaan.
  • make up — "They made up after the fight." — Ze hebben het bijgelegd.
  • get along (with) — "She gets along with her colleagues." — Ze kan goed opschieten met haar collegas.
  • get over — "It took him months to get over the illness." — Het duurde maanden om van de ziekte te herstellen.
Werk, studie en organisatie
  • set up — "Set up a meeting." — Zet een vergadering op / organiseer een bijeenkomst.
  • take over — "She will take over the project." — Zij neemt het project over.
  • hand in — "Hand in your homework." — Lever je huiswerk in. (separable)
  • hand out — "Hand out the flyers." — Deel de flyers uit.
  • fill in / fill out — "Fill in the form." (UK) / "Fill out the form." (US) — Vul het formulier in.
  • sign up — "Sign up for the course." — Schrijf je in voor de cursus.
  • carry on — "Carry on with your work." — Ga door met je werk.
  • drop out — "He dropped out of university." — Hij stopte met zijn studie.
  • sort out — "Sort out these files." — Regel / orden deze bestanden.
  • back up — "Back up your files." — Maak een back-up van je bestanden.
Winkelen en geld
  • pay back — "Ill pay you back." — Ik betaal je terug.
  • pay for — "I paid for dinner." — Ik betaalde voor het diner.
  • pay off — "He paid off his loan." — Hij betaalde zijn lening af.
  • save up — "Im saving up for a bike." — Ik spaar voor een fiets.
  • sell out — "Tickets sold out quickly." — Kaartjes waren snel uitverkocht.
Technologie en telefoon
  • log in / log out — "Log in to your account." / "Log out when youre done." — Log in / Log uit.
  • plug in / unplug — "Plug in the charger." / "Unplug the device." — Steek de oplader erin / Haal het apparaat uit het stopcontact.
  • boot up / shut down — "Boot up the computer." / "Shut down the computer." — Zet de computer aan / uit.
  • hang up — "He hung up the phone." — Hij hing op.
  • hang on — "Hang on a second." — Wacht even.
  • show up — "He showed up late." — Hij kwam te laat.
Gezondheid en problemen
  • come down with — "She came down with a cold." — Ze werd verkouden.
  • get over — "He still hasnt gotten over the breakup." — Hij is nog steeds niet over de breuk heen.
  • feel up to — "I dont feel up to going out." — Ik voel me er niet toe in staat om uit te gaan.
  • break down — "The car broke down." — De auto viel uit/kapot.
  • check up on — "Ill check up on you tomorrow." — Ik kom morgen bij je kijken / controleren.
Veelvoorkomende particle-patronen en hun grove betekenissen
  • up: vaak afronding, omhoog of beginnen (wake up, pick up, give up)
  • off: stoppen / verwijderen / weg (turn off, take off, put off)
  • on: aanzetten, doorgaan (turn on, carry on)
  • out: naar buiten of compleet/uitspreiden (find out, take out, bring out)
  • away: wegdoen (throw away, give away)
  • back: terug of herstel (get back, pay back)

Betekenissen die vaak verwarren en veelgemaakte fouten

1) Meerdere betekenissen per phrasal verb
- "turn up": kan betekenen "harder zetten" (volume) of "ergens arriveren".
- "Turn up the volume." — Zet het volume harder.
- "He turned up at the party." — Hij kwam naar het feest.

2) Bring vs take (richting van beweging)
In het Engels geldt hetzelfde idee als in het Nederlands:


  • bring = naar hier/naar de spreker brengen. "Bring me the book." — Breng het boek naar mij.

  • take = daarheen/weg van de spreker brengen. "Take the book to the library." — Breng het boek naar de bibliotheek.

3) Verkeerde plaatsing van voornaamwoorden (zeer veel voorkomend)
- FOUT: "Turn off it."
- GOED: "Turn it off."

- FOUT: "Look them after."
- GOED: "Look after them."

4) Phrasal verbs in formeel schrijven
In formeel schrijven kies je soms voor één woord:
- Informeel: "They put off the meeting." — Formeel: "They postponed the meeting."

5) Prepositioneel vs phrasal (niet scheidbaar)
- "Look up the address." (phrasal verb, separable)
- "Look at the address." (prepositioneel, inseparable)
Je kunt niet zeggen: "Look the address at." (FOUT).

Tips om phrasal verbs goed te leren en onthouden

- Leer ze in context: onthoud korte zinnen, niet alleen losse woorden. "Turn on the light" i.p.v. alleen "turn on".
- Let op scheidbaarheid: leer of een phrasal verb separable is en oefen pronoun-plaatsing.
- Groepeer op particle: leer veel werkwoorden met "up" of "out" samen om patronen te herkennen.
- Gebruik een goed woordenboek dat aangeeft of een phrasal verb separable is en of het transitief is.
- Maak actieve voorbeelden van je eigen dagelijks leven: "Ill pick up the kids" of "Im going to check out that shop."
- Oefen luistermateriaal: phrasal verbs zijn heel gebruikelijk in gesproken Engels.

Korte woordenlijst / glossarium (begrippen)

- Phrasal verb: combinatie van werkwoord + particle (bijv. "turn off").
- Particle: klein woord (bijv. up, off, on) dat samen met het werkwoord een betekenis vormt.
- Separable / scheidbaar: je kunt het object tussen werkwoord en particle plaatsen ("turn the radio off").
- Inseparable / onscheidbaar: het object staat na de particle ("look after the kids").
- Transitive / transitief: het werkwoord heeft een direct object nodig.
- Intransitive / intransitief: het werkwoord heeft geen direct object nodig.

Samenvatting

Phrasal verbs zijn onmisbaar in alledaags Engels. Leer ze stapsgewijs: begrijp wat de particle doet, oefen separatie en voornaamwoordplaatsing, en leer de meest voorkomende combinaties per thema. In spreektaal klink je natuurlijker met phrasal verbs; in formele teksten kun je soms een eenwoordige equivalent gebruiken.

Veel succes met leren — en onthoud: context en voorbeelden maken phrasal verbs begrijpelijk en makkelijk te onthouden.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York