Het gebruik van gerunds en infinitieven na bepaalde werkwoorden (werkwoordpatronen)
B1Inleiding
In het Engels volgt na veel werkwoorden óf een gerund (de -ing-vorm) óf een infinitief (to + basisvorm). Soms kan een werkwoord beide gebruiken — soms zonder betekenisverschil, soms wél met een ander betekenisverschil. Voor Nederlandse leerlingen is dit een veelvoorkomende verwarring. In dit artikel leg ik uit wat gerunds en infinitieven zijn, wanneer je welke vorm gebruikt, welke veelvoorkomende werkwoordpatronen er zijn, en welke fouten je moet vermijden. Bij elk voorbeeld geef ik een Nederlandse vertaling.
Wat is een gerund en wat is een infinitief?
Definities en vormen
Gerund (de -ing-vorm)
- Vorm: werkwoord + -ing (bijv. reading, swimming, working).
- Functie: de gerund werkt vaak als zelfstandig naamwoord (subject of object), of volgt op een voorzetsel.
- Voorbeelden:
- "I enjoy reading." — Ik geniet van lezen.
- "Swimming is good exercise." — Zwemmen is goede lichaamsbeweging.
- "She is good at painting." — Ze is goed in schilderen.
Infinitief (to + basisvorm)
- Vorm: to + basisvorm van het werkwoord (to read, to swim, to work).
- Functie: vaak gebruikt om doel/bedoeling uit te drukken, na bepaalde werkwoorden, of als complement.
- Voorbeelden:
- "I want to read." — Ik wil lezen.
- "To travel is my dream." — Reizen is mijn droom.
- "He promised to call." — Hij beloofde te bellen.
Bare infinitive (basisvorm zonder 'to')
- Gebruik na modale hulpwerkwoorden (can, must, should) en bij sommige causative constructies (let, make, help soms).
- Voorbeelden:
- "She can swim." — Zij kan zwemmen.
- "Let him go." — Laat hem gaan.
- "They made her apologize." — Ze dwongen haar zich te verontschuldigen.
Wanneer gebruik ik de gerund of de infinitief na een werkwoord?
- Sommige werkwoorden worden bijna altijd gevolgd door een gerund (bijv. enjoy + -ing).
- Andere worden bijna altijd gevolgd door een infinitief met to (bijv. decide to + inf).
- Een derde groep kan beide gebruiken; soms is het verschil klein, soms verandert de betekenis.
- Als er een voorzetsel vóór het werkwoord staat (bijv. look forward to), volgt daarna altijd een gerund, omdat die "to" een voorzetsel is, geen deel van de infinitief.
- Werkwoorden gevolgd door gerund: enjoy, avoid, consider, suggest, mind, finish, keep, admit, deny, miss, postpone, practise, recommend, risk, etc.
- Werkwoorden gevolgd door infinitief (to +): decide, hope, plan, want, need, promise, refuse, learn, expect, intend, offer, agree, etc.
- Werkwoorden die beide kunnen zonder veel betekenisverschil: begin, start, continue (en in bepaalde gevallen like/love/hate).
- Werkwoorden die beide kunnen maar met betekenisverschil: stop, remember, forget, try, regret, go on, mean, need.
- Werkwoorden + object + infinitief: want/ask/tell/expect/advise/allow/encourage/force + object + to-infinitive.
- Bare infinitive: na modals (can, should) en bij let/make/have (causatives) meestal zonder to.
Werkwoorden gevolgd door de gerund (-ing)
- enjoy
- "I enjoy reading." — Ik geniet van lezen.
- "She enjoys playing tennis." — Ze geniet van het tennissen.
- avoid
- "He avoids talking about money." — Hij vermijdt het spreken over geld.
- consider
- "They considered moving to another city." — Ze overwegen naar een andere stad te verhuizen.
- suggest
- "I suggest going early." — Ik stel voor vroeg te gaan.
- recommend
- "The doctor recommended exercising regularly." — De dokter raadde aan regelmatig te bewegen.
- finish
- "We finished cleaning the house." — We maakten het huis schoon / We waren klaar met schoonmaken.
- keep
- "Keep trying." — Blijf proberen.
- "He keeps interrupting." — Hij blijft onderbreken.
- admit
- "She admitted taking the book." — Ze gaf toe het boek te hebben genomen.
- deny
- "He denied breaking the window." — Hij ontkende het raam te hebben gebroken.
- miss
- "I miss seeing my friends." — Ik mis het zien van mijn vrienden / Ik mis het om mijn vrienden te zien.
- postpone / delay
- "They postponed meeting until Monday." — Ze stelden de bijeenkomst uit tot maandag.
- practice
- "She practises speaking English every day." — Ze oefent elke dag Engels spreken.
- risk
- "He risked losing his job." — Hij liep het risico zijn baan te verliezen.
Opmerking: sommige werkwoorden kunnen in andere constructies ook een infinitief hebben, maar in combinatie met direct opnemen van de handeling gebruiken we vaak -ing.
Werkwoorden gevolgd door de infinitief (to + werkwoord)
- decide
- "She decided to study medicine." — Ze besloot geneeskunde te gaan studeren.
- want
- "They want to leave now." — Ze willen nu vertrekken.
- hope
- "I hope to see you soon." — Ik hoop je snel te zien.
- plan
- "We plan to move next year." — We zijn van plan volgend jaar te verhuizen.
- promise
- "He promised to help." — Hij beloofde te helpen.
- refuse
- "She refused to answer." — Ze weigerde te antwoorden.
- learn
- "He learned to drive at sixteen." — Hij leerde rijden op zijn zestien.
- offer
- "She offered to pay." — Ze bood aan te betalen.
- manage
- "I managed to catch the last train." — Het lukte me de laatste trein te halen.
- intend
- "I intend to finish this week." — Ik ben van plan dit week af te ronden.
- afford
- "I can't afford to buy that car." — Ik kan me die auto niet veroorloven.
Werkwoorden die beide kunnen (zonder veel betekenisverschil)
- begin / start / continue
- "It began to rain." — Het begon te regenen.
- "It began raining." — Het begon te regenen. (beide vormen zijn natuurlijk)
- "She continued to work after lunch." — Ze bleef na de lunch doorwerken.
- "She continued working after lunch." — Ze bleef na de lunch doorwerken.
- like / love / hate (klein betekenisverschil)
- "I like swimming." — Ik houd van zwemmen (algemeen).
- "I like to swim in the morning." — Ik zwem graag 's ochtends (gewoonte of keuze).
- Beide zijn vaak verwisselbaar, maar context kan het verschil aangeven.
- prefer
- "I prefer to walk to work." — Ik loop liever naar mijn werk (bij voorkeur voor die situatie).
- "I prefer walking." — Ik loop liever (in algemene zin).
Werkwoorden die beide kunnen maar met betekenisverschil
Stop, remember, forget, try, regret, go on, mean, need
Stop
- "I stopped smoking." — Ik ben gestopt met roken. (ik heb het helemaal opgegeven)
- "I stopped to smoke." — Ik stopte om te roken. (ik pauzeerde met wat ik deed, zodat ik kon roken)
Remember
- "I remember locking the door." — Ik herinner me dat ik de deur op slot deed. (herinnering aan een gebeurtenis uit het verleden)
- "Remember to lock the door." — Vergeet niet de deur op slot te doen. (moet in de toekomst gebeuren)
Forget
- "I'll never forget meeting her." — Ik zal het ontmoeten van haar nooit vergeten. (herinnering aan een ervaring)
- "Don't forget to call your mother." — Vergeet niet je moeder te bellen. (toekomstige taak)
Try
- "He tried to lift the box." — Hij probeerde de doos op te tillen. (poging; misschien lukte het niet)
- "Try opening the window." — Probeer het raam te openen. (experimenteer; kijk of dat helpt)
Regret
- "I regret telling you the truth." — Het spijt me dat ik je de waarheid heb verteld. (spijt over iets uit het verleden)
- "I regret to inform you that your application was unsuccessful." — Het spijt me u te moeten meedelen dat uw aanvraag niet succesvol was. (formele mededeling)
Go on
- "He went on talking for hours." — Hij bleef uren praten. (hield dezelfde handeling voort)
- "He went on to explain the reasons." — Vervolgens legde hij de redenen uit. (hij schakelde naar een volgende handeling)
Mean
- "I meant to call you." — Ik was van plan je te bellen. (intentie)
- "This job means working at weekends." — Deze baan houdt in dat je in het weekend werkt. (betekent / vereist)
Need
- "The car needs washing." — De auto moet gewassen worden. (passieve betekenis: het is nodig dat hij gewassen wordt)
- "I need to wash the car." — Ik moet de auto wassen. (ik moet zelf actie ondernemen)
Object + infinitief (to + werkwoord) en causatives
- Veel werkwoorden gebruiken de structuur: (werkwoord) + object + to-infinitive
- "I want you to finish this today." — Ik wil dat je dit vandaag afmaakt.
- "She asked him to leave." — Ze vroeg hem te vertrekken.
- "They encouraged us to apply." — Ze moedigden ons aan te solliciteren.
- "He persuaded her to join the team." — Hij overtuigde haar zich bij het team aan te sluiten.
- Causative en vergelijkbare structuren:
- let + object + bare infinitive:
- "Let him go." — Laat hem gaan.
- make + object + bare infinitive (actief):
- "They made him apologize." — Ze dwongen hem zich te verontschuldigen.
- Passief: "He was made to apologize." — Hij werd gedwongen zich te verontschuldigen. (in de passieve zin verschijnt 'to')
- have + object + bare infinitive (zorg laten uitvoeren):
- "I had the mechanic fix the car." — Ik liet de monteur de auto repareren.
- get + object + to-infinitive (iem. zover krijgen):
- "I got him to help me." — Ik kreeg hem zover dat hij me hielp.
- help + object + (to-)infinitive:
- "She helped me (to) carry the bags." — Ze hielp me de tassen dragen.
Opmerking: 'help' kan met of zonder 'to' gebruikt worden; veel andere causatives gebruiken de bare infinitive of 'to' afhankelijk van constructie en actieve/passieve vorm.
Gerund na voorzetsels en confusie met 'to'
- Als er een voorzetsel vóór het werkwoord staat, gebruik je een gerund:
- "I'm looking forward to meeting you." — Ik kijk ernaar uit je te ontmoeten. (correct)
- Fout: "I'm looking forward to meet you." (onjuist — 'to' is hier een voorzetsel)
- Veel vaste combinaties (preposition + -ing):
- "be interested in doing" — "He is interested in studying abroad." — Hij is geïnteresseerd om in het buitenland te studeren.
- "accused of doing" — "She was accused of stealing." — Ze werd beschuldigd van stelen.
- "be used to doing" — "I'm used to waking up early." — Ik ben eraan gewend vroeg op te staan.
- "look forward to" — "We look forward to seeing you." — We kijken ernaar uit je te zien.
Fouten om te vermijden en praktische tips
- 'to' verwarren: onthoud dat in "to + infinitief" de "to" bij het werkwoord hoort; in uitdrukkingen als "look forward to" is die "to" een voorzetsel en volgt daarop een gerund.
- Fout: "I look forward to meet you." — Correct: "I look forward to meeting you."
- Onjuiste combinatie van werkwoord en vorm:
- Fout: "She suggested to go earlier." — Correct: "She suggested going earlier." of "She suggested that we go earlier."
- Remember/forget/stop/try negeren — betekenis kan veranderen afhankelijk van vorm.
- Causatives verwarren (let/make/have/get/help): let/make gebruiken vaak bare infinitive; anderen gebruiken 'to' afhankelijk van de constructie.
- Als er een voorzetsel vóór het werkwoord staat: gebruik -ing.
- Na modale werkwoorden (can, must, should) gebruik je de bare infinitive (basisvorm zonder to).
- Leer de meest voorkomende werkwoorden uit de twee lijsten (gerund vs infinitive); veel fouten ontstaan door vergeten welk werkwoord welke vorm neemt.
- Let op betekenisverschillen: stop/remember/forget/try/regret — leer specifieke voorbeelden.
Samenvatting en handig overzicht
- Gebruik gerund (verb + -ing) na: enjoy, avoid, consider, suggest, mind, finish, keep, admit, deny, miss, postpone, practise, recommend, risk, etc.
- Voorbeeld: "I enjoy cooking." — "Ik geniet van koken."
- Gebruik to-infinitive na: decide, want, hope, plan, promise, refuse, learn, expect, intend, offer, manage, agree, etc.
- Voorbeeld: "We decided to leave." — "We besloten te vertrekken."
- Beide vormen mogelijk met weinig verschil: begin, start, continue (en soms like/love/hate).
- Voorbeeld: "She started to read." / "She started reading." — beide mogelijk.
- Beide vormen met betekenisverschil: stop, remember, forget, try, regret, go on, mean, need.
- Voorbeeld: "I stopped smoking." (gestopt met roken) vs "I stopped to smoke." (pauze om te roken)
- Object + to-infinitive: want/ask/tell/expect/encourage/persuade + object + to-infinitive.
- Voorbeeld: "I want you to tell the truth." — "Ik wil dat je de waarheid vertelt."
- Bare infinitive: na modals (can/must/should) en bij let/make/have (causative) meestal zonder to.
- Voorbeeld: "She can swim." — "Ze kan zwemmen." / "Let him go." — "Laat hem gaan."
Glossarium (korte termen)
- Gerund: de -ing-vorm van een werkwoord, vaak gebruikt als zelfstandig naamwoord. (bv. reading)
- Infinitief: to + basisvorm van een werkwoord. (bv. to read)
- Bare infinitive: de basisvorm zonder 'to' (bv. read), gebruikt na modals en sommige causatives.
- Voorzetsel (preposition): woorden als in, on, at, to (in vaste uitdrukkingen); volgt op een gerund.
- Causative: constructies waarin iemand iets laat doen (let/make/have/get).
Afsluitende tips
- Er zijn regels, maar veel moet je leren per werkwoord. Gebruik een goed woordenboek (Cambridge, Oxford) — daar staat vaak aangegeven of een werkwoord gevolgd wordt door -ing of by to-infinitive.
- Let op betekenisverschillen: probeer zinnen met beide vormen te maken en controleer of de betekenis verandert.
- Let vooral op de combinatie "to + -ing" (bijvoorbeeld look forward to + -ing) — dat is een valkuil voor Nederlandse sprekers.
Veel succes met oefenen! Als je wilt, kan ik voor specifieke werkwoorden of voorbeelden extra uitsplitsingen en meer voorbeelden geven.