Mogelijkheid en toestemming uitdrukken (nuances tussen dürfen en können)

A2

Mogelijkheid en toestemming uitdrukken in het Duits: dürfen vs können (nuances)

Wat betekenen 'dürfen' en 'können'?

Können
Können betekent meestal "kunnen" in de zin van vermogen, vaardigheid of (situatie)mogelijkheid. Het zegt iets over of iets mogelijk of uitvoerbaar is.

- Ich kann schwimmen. — Ik kan zwemmen. (vaardigheid)
- Kannst du mir helfen? — Kun je mij helpen? (vraag om hulp / vermogen)
- Es kann sein, dass er spät kommt. — Het kan zijn dat hij laat komt. (mogelijkheid)

Dürfen
Dürfen betekent vooral "mogen" in de zin van toestemming: iemand heeft het recht of de toestemming iets te doen. In de negatieve vorm drukt het een verbod uit.

- Darf ich das Fenster öffnen? — Mag ik het raam openen? (om toestemming vragen)
- Du darfst nicht rauchen. — Je mag niet roken. (verbod)
- Sie dürfen hier parken. — U mag hier parkeren. (toestemming)

Dürfen kan ook in de vorm van konjunktiv (dürfte) gebruikt worden om een verwachting of waarschijnlijkheid uit te drukken: Das dürfte stimmen. — Dat zal/waarschijnlijk klopt het.

Wanneer gebruik je 'können'?

Können gebruik je in de volgende situaties:
- Vermogen of vaardigheid: Ich kann Klavier spielen. — Ik kan piano spelen.
- Fysieke of praktische mogelijkheid: Ich kann heute nicht kommen. — Ik kan vandaag niet komen (het is niet mogelijk voor mij).
- Algemene of objectieve mogelijkheid: Es kann morgen regnen. — Het kan morgen regenen.
- Informele vragen om hulp of mogelijkheid: Kannst du mir das Buch geben? — Kun je mij dat boek geven?

Voorbeeldzinnen met vertaling:
- Ich kann drei Sprachen sprechen. — Ik kan drie talen spreken.
- Das kann gefährlich werden. — Dat kan gevaarlijk worden.

Wanneer gebruik je 'dürfen'?

Dürfen gebruik je wanneer het om toestemming, regels of (morele/legale) toestemming gaat:
- Vragend om toestemming: Darf ich hier sitzen? — Mag ik hier zitten?
- Toestaan: Du darfst gehen. — Je mag gaan.
- Verbod: Man darf hier nicht parken. — Men mag hier niet parkeren.

Voorbeeldzinnen met vertaling:
- Darf ich Sie etwas fragen? — Mag ik u iets vragen?
- In diesem Museum darf man nicht fotografieren. — In dit museum mag je niet fotograferen.

Verschillen en nuance: wanneer kies je welk woord?

- Toestemming vs bekwaamheid: Gebruik dürfen voor toestemming, können voor bekwaamheid of mogelijkheid.
- Ich darf ins Kino gehen. — Ik mag naar de bioscoop (ik heb toestemming).
- Ich kann ins Kino gehen. — Ik kan naar de bioscoop gaan (het is mogelijk/ik ben in staat te gaan).

- Probeer in formele situaties voor toestemming bij voorkeur 'dürfen' te gebruiken:
- (Formeel) Darf ich hier parken? — (Informeel) Kann ich hier parken? — Beide werken, maar 'darf' is preciezer als je echt om toestemming vraagt.

- Negatie: 'nicht dürfen' = niet mogen (verbod). 'nicht können' = niet kunnen (niet in staat zijn / onmogelijk).
- Du darfst hier nicht rauchen. — Je mag hier niet roken. (verbod)
- Du kannst hier nicht rauchen. — Je kunt hier niet roken. (ofwel onmogelijk, of ongewone formulering)

Werkwoordsvormen en verleden tijden

Tegenwoordige tijd (Präsens)
- können: ich kann, du kannst, er/sie/es kann, wir können, ihr könnt, sie/Sie können
- dürfen: ich darf, du darfst, er/sie/es darf, wir dürfen, ihr dürft, sie/Sie dürfen

Verleden tijd (Präteritum) — veel gebruikt om gebeurtenissen in het verleden te beschrijven
- können: ich konnte, du konntest, er/sie/es konnte, wir konnten, ihr konntet, sie/Sie konnten
- dürfen: ich durfte, du durftest, er/sie/es durfte, wir durften, ihr durftet, sie/Sie durften

Voorbeelden verleden:
- Als Kind konnte ich stundenlang lesen. — Als kind kon ik uren lezen.
- Letzte Woche durfte ich nicht mitfahren. — Vorige week mocht ik niet meerijden.

Voltooide tijd (Perfekt) — let op de speciale constructie met modale hulpwerkwoorden
Als een modaal hulpwerkwoord samen met een ander werkwoord voorkomt in het Perfekt, gebruiken Duitsers vaak de dubbele infinitiefconstructie (haben + hoofdwerkwoord + modaal infinitief):
- Ich habe das nicht machen können. — Ik heb dat niet kunnen doen.
- Wir haben länger bleiben dürfen. — We hebben langer mogen/kunnen blijven (we mochten langer blijven).

Als het modale werkwoord zonder tweede werkwoord staat, zie je soms het voltooid deelwoord (gekonnte/gedurft), maar in gesproken Duits wordt vaak het Präteritum gebruikt:
- Ich konnte nicht. (vaak beter dan: Ich habe nicht gekonnt)
- Ich durfte nicht. (vaak beter dan: Ich habe nicht gedurft)

Politeit en Konjunktiv II (beleefde verzoeken en mogelijkheden)

Voor beleefde verzoeken of hypothesen gebruik je de Konjunktiv II-vormen:
- Können → könnte: Könnten Sie mir bitte helfen? — Kunt u mij alstublieft helpen? (zeer beleefd)
- Dürfen → dürfte: Dürfte ich kurz stören? — Mag ik u even storen? (zeer formeel/beleefd)

Voor mogelijkheden of aannames:
- Das könnte stimmen. — Dat zou kunnen kloppen. (zwakkere mogelijkheid)
- Das dürfte stimmen. — Dat zal/wellicht klopt het. (sterkere waarschijnlijkheid)

Veelgemaakte fouten (vooral door Nederlandstaligen)

- Verwisselen van 'können' en 'dürfen' omdat Nederlands 'kunnen' soms ook informeel toestemming betekent. Daardoor zeggen leerlingen vaak:
- Fout: Ich kann hier nicht rauchen. (bedoeld: Ik mag hier niet roken)
- Correct: Ich darf hier nicht rauchen.

- Onjuiste voltooid deelwoordconstructie met modale werkwoorden:
- Fout: Ich habe nicht gedurft kommen.
- Correct: Ich durfte nicht kommen. Of: Ich habe nicht kommen dürfen.

- 'Dürfen' gebruiken voor bekwaamheid:
- Fout: Ich darf sehr gut schwimmen. (bedoeld: Ik kan goed zwemmen)
- Correct: Ich kann sehr gut schwimmen.

- Voor formele toestemming liever 'dürfen' gebruiken; 'kann' komt wel voor in spreektaal maar kan soms onduidelijk of onbeleefd overkomen.

Praktische tips om fouten te vermijden

- Vraag toestemming? Gebruik 'Darf ich…?' (formeel: 'Darf ich Sie …?'). In informele situaties is 'Kann ich…?' vaak hoorbaar, maar minder precies.
- Praat over vaardigheden of mogelijkheden? Gebruik 'können'.
- Beschrijf wat in het verleden wel of niet mocht/gebeurde? Gebruik het Präteritum: 'durfte / konnte'.
- Voor beleefde verzoeken: leer de Konjunktiv II-vormen: 'Könnten Sie…?' en 'Dürfte ich…?'.
- Bij twijfel: bedenk of je over toestemming (mogen) of over mogelijkheid/kunnen praat. Dat helpt kiezen.

Grote verzameling voorbeeldzinnen (per functie)

Toestemming vragen / geven:
- Darf ich hier sitzen? — Mag ik hier zitten?
- Darf ich bitte auf die Toilette gehen? — Mag ik alstublieft naar het toilet?
- Ja, du darfst gehen. — Ja, je mag gaan.
- Nein, das darfst du nicht. — Nee, dat mag je niet.

Vragen om hulp / mogelijkheid:
- Kannst du mir das erklären? — Kun je mij dat uitleggen?
- Können Sie mir zeigen, wie das geht? — Kunt u mij laten zien hoe dat gaat?
- Könnten Sie mir bitte Ihre Nummer geben? — Kunt u mij alstublieft uw nummer geven?

Vermogen / vaardigheid:
- Ich kann gut kochen. — Ik kan goed koken.
- Er kann sehr schnell laufen. — Hij kan heel snel lopen.

Onmogelijkheid / onvermogen:
- Ich kann heute nicht kommen. — Ik kan vandaag niet komen.
- Wir konnten das Problem nicht lösen. — We konden het probleem niet oplossen.

Verleden (toestemming / bekwaamheid):
- Früher durfte ich bis spät aufbleiben. — Vroeger mocht ik laat opblijven.
- Als Kind konnte ich das ohne Angst. — Als kind kon ik het zonder angst.

Perfect met dubbele infinitief:
- Ich habe die Prüfung nicht bestehen können. — Ik heb het examen niet kunnen halen.
- Er hat das Haus nicht verlassen dürfen. — Hij heeft het huis niet mogen verlaten.

Verwachting / waarschijnlijkheid (Konjunktiv II / würde-vormen):
- Das könnte stimmen. — Dat zou kunnen kloppen.
- Er dürfte schon zu Hause sein. — Hij zal waarschijnlijk al thuis zijn.

Glossarium (korte definities)

- Modaal werkwoord (Modalverb): een werkwoord dat de manier aangeeft waarop iets gebeurt (toestemming, vermogen, verplichting), bijv. dürfen, können.
- Infinitief: de basisvorm van het werkwoord (z. B. gehen, kommen).
- Präteritum: de eenvoudige verleden tijd (ich konnte, ich durfte).
- Perfekt: de voltooide tijd vaak met 'haben' of 'sein'; bij modale werkwoorden met een tweede werkwoord vaak dubbele infinitief (ich habe ... können).
- Konjunktiv II: de aanvoegende wijs die wordt gebruikt voor beleefde verzoeken of hypothetische situaties (könnte, dürfte).

Korte samenvatting

- Gebruik dürfen voor toestemming (mogen) en verbod (niet mogen).
- Gebruik können voor vaardigheid, vermogen en (situatie)mogelijkheid.
- In het verleden: 'konnte' = kon, 'durfte' = mocht.
- In het Perfekt met een tweede werkwoord: dubbele infinitief (haben + Hauptinfinitiv + Modalinfinitiv).
- Voor beleefde verzoeken gebruik je Konjunktiv II: 'Könnten Sie…?' of formeel 'Dürfte ich…?'.

Als je wilt, kan ik nu alle voorbeeldzinnen categoriseren in een oefenlijst of kort flashcardsuggesties geven — maar dit artikel bevat alle belangrijke regels en voorbeelden om 'können' en 'dürfen' correct te gebruiken.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York