Gebruik van Futur I en Futur II om veronderstellingen uit te drukken ("Er wird schon kommen", "Er wird es geschafft haben")

B2

Gebruik van Futur I en Futur II om veronderstellingen uit te drukken in het Duits

Wat betekent het om met Futur I/Futur II veronderstellingen te maken?
Uitleg In het Duits kan het Futur I (werden + infinitief) en het Futur II (werden + voltooid deelwoord + haben/sein) niet alleen toekomstige handelingen aangeven, maar ook veronderstellingen of gissingen over het heden of verleden. In het Nederlands zeggen we vaak „waarschijnlijk“, „zullen“ of „zou wel“ om zulke veronderstellingen aan te geven. Duits gebruikt hiervoor vaak het werkwoord werden in combinatie met de infinitief (Futur I) of het voltooid deelwoord (Futur II).
Wanneer gebruik je Futur I voor veronderstellingen?
Wanneer en waarom
  • Futur I (Er wird kommen) wordt gebruikt om een veronderstelling over het heden of de nabije toekomst uit te drukken: je denkt dat iets waarschijnlijk gebeurt of waar is. Het is minder zeker dan een stelling, maar vaak overtuigender dan een simpele mogelijkheid.
  • Het vergelijkbare Nederlandse gevoel: “Hij zal wel komen” of “Hij zal wel ziek zijn” (dus: ik verwacht of vermoed dat dit zo is).

Vorming (Futur I)</b>


  • Vorm: werden (conjugatie) + hoofdzinsel (infinitief)

  • Voorbeeld met persoon:

  • Ich werde kommen. (Ik zal komen.)

  • Du wirst kommen. (Jij zult komen.)

  • Er/Sie/Es wird kommen. (Hij/Zij/Het zal komen.)

Voorbeelden als veronderstelling (Futur I)]


  • Er wird schon kommen. – Hij zal (wel) komen. (Ik neem aan dat hij komt.)

  • Sie wird wohl krank sein. – Zij zal wel ziek zijn. (Ik vermoed dat ze ziek is.)

  • Das wird teuer werden. – Dat zal duur worden. (Ik verwacht dat het duur wordt.)

  • Es wird dunkel. – Het wordt donker. (ook: ik merk verandering; niet altijd een veronderstelling)

Nuttige nuances en synoniemen
- Je hoort vaak woorden als schon, wohl of ja erbij om de nuance te versterken of te verzachten: Er wird schon kommen (meer geruststellend), Sie wird wohl Recht haben (meer onzekerheid).
- In informeel Duits zeggen sprekers ook vaak: Er wird schon da sein / Er wird schon kommen – vergelijkbaar met Nederlands “Hij zal er wel zijn / Hij zal wel komen.”

Wanneer gebruik je Futur II voor veronderstellingen?
Wanneer en waarom
  • Futur II (Er wird es geschafft haben) drukt een veronderstelling over iets uit dat in het verleden al gebeurd zou zijn. Je gokt dat iets voltooid is. Het Nederlandse equivalent is vaak: “Hij zal het wel gedaan/gered hebben” of “Hij zal het al gedaan hebben.”

Vorming (Futur II)</b]


  • Vorm: werden (conjugatie) + voltooid deelwoord + haben of sein (infinitief)

  • Structuur: Er wird + Partizip II + haben/sein

  • Voorbeelden:

  • Er wird es geschafft haben. – Hij zal het (al) gehaald hebben.

  • Sie wird gegangen sein. – Zij zal vertrokken zijn.

  • Ich werde das gelesen haben. – Ik zal dat gelezen hebben.

Voorbeelden als veronderstelling (Futur II)]


  • Er wird das Prüfungsprojekt bestanden haben. – Hij zal voor het examen geslaagd zijn. (verwachting over een reeds afgerond resultaat)

  • Wo ist Anna? – Sie wird schon nach Hause gegangen sein. – Waar is Anna? – Ze zal al naar huis zijn gegaan.

  • Der Zug wird abgefahren sein. – De trein zal vertrokken zijn.

Verschil tussen Futur I en Futur II bij veronderstellingen
Kernverschil
  • Futur I: veronderstelling over iets dat nu of in de nabije toekomst gebeurt of waar is.
  • Voorbeeld: Er wird krank sein. (Ik denk dat hij ziek is / is geworden.)
  • Futur II: veronderstelling dat iets in het verleden al voltooid is.
  • Voorbeeld: Er wird krank gewesen sein. (Ik vermoed dat hij (inmiddels) ziek is geweest.)

Praktische vergelijkingen met Nederlands
- Duits Futur I ≈ Nederlands “zal wel” of “waarschijnlijk” (bij veronderstellingen)
- Duits: Er wird wohl zu Hause sein. – Nederlands: Hij zal wel thuis zijn.
- Duits Futur II ≈ Nederlands “zal al ... hebben” (bij veronderstellingen over het verleden)
- Duits: Er wird das Buch gelesen haben. – Nederlands: Hij zal het boek al gelezen hebben.

Veelvoorkomende fouten en valkuilen
1. Futur I niet verwarren met toekomstplannen
  • In het Duits betekent Ich werde morgen kommen meestal dat iemand van plan is te komen (toekomstige handeling). Maar bij veronderstellingen wordt Futur I gebruikt zonder expliciete tijdsbepaling: Er wird kommen (ik neem aan dat). Let op context!

2. Futur II gebruiken wanneer Futur I genoeg is (of omgekeerd)</b>


  • Fout: Er wird wohl das schon gemacht haben → beter: Er wird es wohl schon gemacht haben (woordvolgorde) of gebruik Futur II alleen als je echt op voltooidheid gokt.

3. Verkeerd gebruik van hebben/sein in Futur II</b]


  • Net als bij voltooid deelwoord: kies hebben (haben) of zijn (sein) afhankelijk van het werkwoord (bewegings- en veranderingswerkwoorden met sein). Voorbeeld:

  • Er wird gefahren sein. (Hij zal weggereden zijn.)

  • Er wird gespielt haben. (Hij zal gespeeld hebben.)

4. Te sterke zekerheid uitdrukken</b]


  • Futur I kan in sommige contexten erg stellig klinken; combineer met words zoals wohl, schon, maybe (informeel “bestimmt”) om nuance te behouden.

  • Er wird schon kommen. (mild optimistisch)

  • Er wird bestimmt kommen. (meer zeker, maar nog steeds een veronderstelling)

Veel voorbeeldzinnen (gegroepeerd naar type veronderstelling)
A. Veronderstellingen over het heden / iemand is ergens of heeft een eigenschap
  • Er wird müde sein. – Hij zal moe zijn.
  • Sie wird das wissen. – Zij zal dat weten.
  • Das wird teuer sein. – Dat zal duur zijn.
  • Es wird schon stimmen. – Dat zal wel kloppen.

B. Veronderstellingen over de nabije toekomst
- Er wird bald kommen. – Hij zal binnenkort komen.
- Du wirst es schaffen. – Je zult het wel redden. (hier ook aanmoediging)

C. Veronderstellingen over afgeronde handelingen in het verleden (Futur II)]


  • Er wird den Film schon gesehen haben. – Hij zal de film al gezien hebben.

  • Sie wird das Paket geliefert haben. – Zij zal het pakket bezorgd hebben.

  • Wir werden angekommen sein. – Wij zullen aangekomen zijn.

D. Vraagvorm en twijfel uitdrukken met Futur II
- Wird er das erledigt haben? – Zal hij dat afgehandeld hebben?
- Wo werden sie inzwischen geblieben sein? – Waar zullen ze inmiddels gebleven zijn?

E. Met modaliteit en nuance (woensdagwoordjes zoals wohl, schon, bestimmt)


  • Er wird wohl nicht kommen. – Hij zal waarschijnlijk niet komen.

  • Sie wird schon Recht haben. – Ze zal wel gelijk hebben.

  • Er wird bestimmt gewonnen haben. – Hij zal vast gewonnen hebben.

Stijl en register: wanneer klinkt het natuurlijk?
Formeel vs informeel
  • In gesproken, informeel Duits hoor je vaak Futur I met schon/wohl: Er wird schon kommen; Das wird schon passen.
  • In geschreven, formeel Duits en in situaties waar duidelijkheid belangrijk is, gebruikt men soms lieber Präsens + modalwoorden: Er ist wahrscheinlich krank (hij is waarschijnlijk ziek) in plaats van Er wird krank sein. Beide zijn correct, maar Präsens + adv. kan directer en neutraler klinken.

Alternatieven ter verduidelijking
- Präsens + modalwoord: Er ist wohl krank. – direct en veelgebruikt in het Duits.
- Modalverben in Präsens: Er dürfte kommen. – formeler en dichter bij „waarschijnlijkheid“.
- Futur wordt vaak gebruikt als spreker iets van afstand wil beoordelen of als een beleefde gissing.

Kort overzicht en praktische tips
Samengevat
  • Futur I (werden + infinitief) = gissing/aanname over nu of de nabije toekomst: Er wird kommen. (Hij zal wel komen.)
  • Futur II (werden + Partizip II + haben/sein) = gissing over iets dat in het verleden al voltooid zou zijn: Er wird es geschafft haben. (Hij zal het wel gehaald hebben.)

Praktische tips voor leerders
- Luister naar context: zonder tijdsbepaling is Futur I vaak een veronderstelling.
- Gebruik woorden als wohl, schon, bestimmt om de mate van zekerheid duidelijk te maken.
- Kies Futur II alleen als je vermoedt dat iets al voltooid is.
- Vergelijk met het Nederlands: vertaal intern “zal wel” of “zal al … hebben” om te beslissen of Futur I of II past.

Bijsluitende woordenschat (kleine woordenlijst / glossarium)
  • Futur I: Werden + infinitief — gebruikt voor toekomstige handelingen of gissingen over het heden.
  • Futur II: Werden + Partizip II + haben/sein — gebruikt voor veronderstellingen dat iets al voltooid is.
  • Partizip II: voltooid deelwoord in het Duits (bijv. gemacht, gegangen, gesehen).
  • wohl / schon / bestimmt: onderscheppende bijwoorden die zekerheid of onzekerheid aanduiden (beïnvloeden de nuance van de veronderstelling).
Tot slot: korte voorbeelden ter herhaling
  • Er wird schon kommen. – Hij zal (wel) komen. (Futur I, veronderstelling over nu/toekomst)
  • Sie wird wohl zu Hause sein. – Ze zal waarschijnlijk thuis zijn. (Futur I)
  • Er wird es geschafft haben. – Hij zal het (al) gehaald hebben. (Futur II)
  • Sie wird gegangen sein. – Zij zal vertrokken zijn. (Futur II)

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York