Deelwoorden als bijvoeglijke naamwoorden en bijwoordelijke bepalingen (lachend, gemacht, enz.)
B2Deelwoorden (participes) als bijvoeglijke naamwoorden en bijwoordelijke bepalingen in het Duits
Kort overzicht
In het Duits bestaan twee deelwoorden die je vaak ziet: Partizip I (tegenwoordig deelwoord, bv. lachend) en Partizip II (voltooid deelwoord, bv. gemacht). Beide kunnen werken als bijvoeglijk naamwoord (attributief of predicaatief), als zelfstandig naamwoord (nomenalisatie) of als bijwoordelijke bepaling (hoe, waarom, in welke toestand). Dit artikel legt uit wat ze betekenen, hoe je ze vormt, wanneer je ze gebruikt, en welke fouten veel voorkomen. Overal volgen duidelijke voorbeelden in het Duits met Nederlandse vertaling.
Hoe worden Partizip I en Partizip II gevormd?
Partizip I (tegenwoordig deelwoord)
- Vorm: infinitief + -d. Het drukt meestal een gelijktijdige handeling of wijze uit.
- Voorbeelden:
- lachen -> lachend - Die Kinder sind lachend auf der Straße. - De kinderen lopen lachend op straat.
- lesen -> lesend - Der lesende Mann trinkt Kaffee. - De lezende man drinkt koffie.
- arbeiten -> arbeitend - Er ging arbeitend nach Hause. - Hij ging werkend naar huis.
- Let op: gebruik als bijvoeglijk naamwoord of bijwoord; niet om een progressieve tijd te vormen (Duits heeft geen directe equivalent van Engels I am laughing).
Partizip II (voltooid deelwoord)
- Vormingregels (basis):
- zwakke werkwoorden: ge- + stam + -t (machen -> gemacht)
- sterke werkwoorden: ge- + gewijzigde stam + -en (sehen -> gesehen)
- mengvormen: soms ge- + stam + -t maar met klinkerwisseling (bringen -> gebracht)
- Regels met voorvoegsels en -ieren:
- separabele voorvoegsels: ge- komt tussen voorvoegsel en stam (aufmachen -> aufgemacht)
- onseparable voorvoegsels (be-, ver-, zer-, er-, ent-, emp-, ge- etc.): geen ge- (verstehen -> verstanden)
- werkwoorden op -ieren: geen ge- (studieren -> studiert)
- Voorbeelden:
- machen -> gemacht - Er hat das Bett gemacht. - Hij heeft het bed opgemaakt.
- sehen -> gesehen - Ich habe den Film gesehen. - Ik heb de film gezien.
- aufstehen -> aufgestanden - Ich bin um sieben Uhr aufgestanden. - Ik ben om zeven uur opgestaan.
- studieren -> studiert - Sie hat in Berlin studiert. - Zij heeft in Berlijn gestudeerd.
Wanneer gebruik ik deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord?
Attributief (voor het zelfstandig naamwoord)
- Een deelwoord dat vóór een zelfstandig naamwoord staat, gedraagt zich als een gewoon bijvoeglijk naamwoord en krijgt bijvoeglijke uitgangen (accordeer met geslacht, getal en naamval).
- Voorbeeld met Partizip I (lachend):
- Der lachende Mann. - De lachende man. (nom. m.)
- Den lachenden Mann. - De lachende man. (acc. m.)
- Dem lachenden Mann. - Aan de lachende man. (dat. m.)
- Des lachenden Mannes. - Van de lachende man. (gen. m.)
- Die lachende Frau. - De lachende vrouw. (nom./acc. v.)
- Das lachende Kind. - Het lachende kind. (nom./acc. o.)
- Die lachenden Kinder. - De lachende kinderen. (nom./acc. mv.)
- Voorbeeld met Partizip II (geschrieben/gelesen):
- Der geschriebene Brief liegt auf dem Tisch. - De geschreven brief ligt op tafel.
- Eine gelesene Zeitung liegt auf dem Sofa. - Een gelezen krant ligt op de bank.
Predicaatief (na een koppelwerkwoord zoals sein, werden, bleiben)
- Het deelwoord staat na het werkwoord en krijgt geen adjectiefuitgang. Het beschrijft een toestand/resultaat.
- Voorbeelden:
- Die Tür ist geschlossen. - De deur is gesloten.
- Das Fenster ist geöffnet. - Het raam is geopend.
- Er ist müde/erschöpft. - Hij is moe/uitgeput.
- Vergelijking attributief vs predicaatief:
- Die Tür ist geschlossen. - De deur is (nu) gesloten. (predicaat)
- Die geschlossene Tür steht hinten. - De gesloten deur staat achterin. (attributief; wijst op de deur die gesloten is)
Nominalisatie (het deelwoord wordt zelfstandig naamwoord)
- Je kunt deelwoorden als zelfstandig naamwoord gebruiken; ze worden dan met hoofdletter geschreven.
- Voorbeelden:
- Das Geschriebene ist wichtig. - Het Geschrevene is belangrijk / Wat geschreven is, is belangrijk.
- Das Gelernte hilft dir später. - Het geleerde helpt je later.
- Das Verlorene kann man nicht zurückbringen. - Het Verlorene kan men niet terugbrengen.
Deelwoorden als bijwoordelijke bepalingen (hoe, wanneer, waarom, in welke toestand)?
Partizip I: gelijktijdigheid en wijze (hoe iemand iets doet)
- Partizip I drukt vaak uit dat twee acties tegelijk plaatsvinden of geeft de manier aan.
- Voorbeelden:
- Lachend verließ er den Raum. - Lachend verliet hij de kamer. (Hij verliet de kamer terwijl hij lachte.)
- Singend geht sie zur Arbeit. - Zingend gaat ze naar het werk.
- Die Kinder spielten lachend im Hof. - De kinderen speelden lachend op het erf.
- Die Frau kam, das Kind tragend. - De vrouw kwam, het kind dragend.
- Opmerking: zulke constructies verwijzen normaal naar het onderwerp van de hoofdzin. Als het onderwerp niet overeenkomt, ontstaat een foutieve of onduidelijke zin (zie valkuilen).
Partizip II: oorzaak, toestand of resultaat (omstandigheden)
- Partizip II kan een reden, een gevolg of een toestand aangeven. Vaak staat de participiale zin vóór of ná de hoofdzin en wordt gescheiden door een komma.
- Voorbeelden:
- Vom Regen durchnässt, ging sie nach Hause. - Door de regen doorweekt ging ze naar huis.
- In Panik geraten, verließ er die Bühne. - In paniek geraakt verliet hij het podium.
- Nicht gut gemacht, funktioniert das Gerät nicht. - Niet goed gemaakt werkt het apparaat niet. (let op: hier klinkt een volledige bijzin soms natuurlijker: Weil es nicht gut gemacht wurde, ...)
- Opmerking: Duits gebruikt voor oorzakelijke en bijwoordelijke bijzinnen vaak liever een echte bijzin (Weil..., Als...) in spreektaal; participiale constructies klinken formeler of literair.
- Partizip I = de handeling gebeurt tegelijk en is actief (iemand lacht terwijl hij weggaat).
- Lachend verließ er den Raum. (hij lacht en verlaat tegelijk)
- Partizip II = meestal resultaat/toestand of iets dat iemand ondergaan heeft (doorweekt, geschockt, verletzt):
- Vom Regen durchnässt, kam er heim. (zijn toestand is doorweekt als gevolg van regen)
Veelgemaakte fouten en tips om ze te vermijden
- Fout: Lachend betrat das Haus der Junge. - Deze zin suggereert dat het huis lacht. Niet correct.
- Correct: Lachend betrat der Junge das Haus. - Lachend betrad de jongen het huis.
- Tip: het deelwoord verwijst altijd naar het onderwerp van de hoofdzin. Controleer dat beide hetzelfde onderwerp hebben.
- Fout: ein lachend Mann. - Dit is onjuist; participia gedragen zich als bijvoeglijke naamwoorden en nemen uitgangen.
- Correct: ein lachender Mann / der lachende Mann. - Een lachende man / de lachende man.
- Tip: behandel het deelwoord gewoon als bijvoeglijk naamwoord wat betreft uitgangen en verbuigingen.
- Fout: Ich bin lachend. - Dat klinkt onnatuurlijk of onjuist.
- Correcte alternatieven:
- Ich lache gerade. - Ik lach nu.
- Ich bin am Lachen. (in informele Duitse streken vaak gebruikt) - Ik ben aan het lachen.
- Tip: gebruik geen Partizip I als vervanging van Engelse -ing progressive; Duits gebruikt meestal gewoon de persoonsvorm of uitdrukkingen.
- Fout: gebruike van ge- bij werkwoorden met onseparable prefix: *geverstanden. Dit is fout.
- Correct: verstehen -> verstanden (geen extra ge-)
- Regels kort:
- Separabel voorvoegsel: ge komt tussen voorvoegsel en stam (aufmachen -> aufgemacht).
- Onseparable voorvoegsel: geen ge (verstehen -> verstanden).
- Werkwoorden op -ieren: geen ge (studieren -> studiert).
- Voorbeelden:
- aufmachen -> aufgemacht - Er hat das Fenster aufgemacht. - Hij heeft het raam opengedaan.
- verstehen -> verstanden - Ich habe alles verstanden. - Ik heb alles begrepen.
- fotografieren -> fotografiert - Sie hat das Haus fotografiert. - Ze heeft het huis gefotografeerd.
- Soms klinkt een participiale constructie zwaarder of formeler; in spreektaal is een gewone bijzin vaak natuurlijker.
- Voorbeeld formeel: Vom Regen durchnässt, ging sie nach Hause.
- Informeler en vaak natuurlijker: Weil sie vom Regen durchnässt war, ging sie nach Hause.
Handige voorbeelden (samengebracht per functie)
Partizip I als bijvoeglijk (attributief)
- Der lachende Mann steht im Türrahmen. - De lachende man staat in de deuropening.
- Eine singende Frau geht vorbei. - Een zingende vrouw loopt voorbij.
Partizip II als bijvoeglijk (attributief)
- Das geschlossene Geschäft hat Ruhetag. - De gesloten winkel is gesloten op die dag.
- Ein gebrauchtes Auto kostet weniger. - Een gebruikt auto kost minder.
Partizip II als predicaatief
- Das Haus ist gebaut. - Het huis is gebouwd.
- Die Aufgabe ist erledigt. - De taak is afgehandeld.
Partizip I als bijwoordelijk (manier/gelijktijdigheid)
- Lachend verabschiedete er sich von den Kollegen. - Lachend nam hij afscheid van de collega's.
- Singend fuhr sie die Berge hinauf. - Zingend reed ze de bergen op.
Partizip II als bijwoordelijk (oorzaak/toestand/resultaat)
- Vom Lärm gestört, konnte er nicht schlafen. - Door het lawaai gestoord kon hij niet slapen.
- Glücklich vereint, feierten sie die Hochzeit. - Gelukkig bijeen vierden ze de bruiloft.
Nominalisatie van deelwoorden
- Das Gesagte ist wichtig. - Het gezegde is belangrijk / Wat gezegd is, is belangrijk.
- Das Geglaubte stellte sich als falsch heraus. - Het geloofde bleek onjuist.
Kort glossarium
- Partizip I (tegenwoordig deelwoord): Duits: Partizip I, gevormd met -d, geeft gelijktijdigheid of wijze aan (lachend).
- Partizip II (voltooid deelwoord): Duits: Partizip II, gebruikt bij voltooide tijden en als bijvoeglijk naamwoord (gemacht, gesehen).
- Attributief: deelwoord staat voor het zelfstandig naamwoord en neemt adjectiefuitgangen.
- Predicaatief: deelwoord staat na koppelwerkwoord en krijgt geen adjectiefuitgang.
- Genominaliseerd deelwoord: deelwoord dat als zelfstandig naamwoord gebruikt wordt en met hoofdletter geschreven wordt.
Eindsamenvatting
- Partizip I = infinitief + -d; gebruik voor gelijktijdigheid/manier en als bijvoeglijk naamwoord.
- Partizip II = voltooid deelwoord; vorming met ge-/-t/-en, let op voorvoegsels en -ieren; gebruik voor voltooide tijden, als adjectief en als bijwoordelijke bepaling van toestand/oorzaak.
- Behandel deelwoorden als normale bijvoeglijke naamwoorden als ze attribuut zijn (uitgangen!), en zorg dat een bijwoordelijke participiale constructie naar het juiste onderwerp verwijst.
Veel succes met oefenen! Met het herkennen van Partizip I en II en het letten op de uitgang en het onderwerp krijg je snel gevoel voor hun functie en gebruik.