Als vs wenn vs wann (onderscheid tussen temporeel 'wanneer' en voorwaardelijk 'als/indien')

A2

Wanneer gebruik je 'als', 'wenn' en 'wann' in het Duits?

Kort gezegd:
- 'als' gebruik je vooral voor éénmalige gebeurtenissen of toestanden in het verleden en voor vergelijkingen (vergelijkbaar met NL 'toen' voor verleden, en NL 'dan' voor vergelijkingen).
- 'wenn' gebruik je voor herhaalde of algemene gebeurtenissen, voor voorwaarden ('if') en voor toekomstige of mogelijke gebeurtenissen (vergelijkbaar met NL 'als' wanneer je bedoelt 'als/indien').
- 'wann' gebruik je alleen in vragen (direct of indirect): het is het Duitse 'wanneer'.

Kernregels in één oogopslag
  • 'als' = éénmalig verleden / vergelijkingen
  • Voorbeeld (tijd): German: 'Als ich gestern nach Hause kam, war niemand da.' – NL: 'Toen ik gisteren thuiskwam, was er niemand thuis.'
  • Voorbeeld (vergelijking): German: 'Er ist größer als ich.' – NL: 'Hij is groter dan ik.'

- 'wenn' = herhaald/algemeen, voorwaarde ('if'), toekomstige gebeurtenis
- Voorbeeld (herhaald): German: 'Wenn es regnet, bleibe ich zu Hause.' – NL: 'Als het regent, blijf ik thuis.'
- Voorbeeld (voorwaarde): German: 'Wenn du willst, helfe ich dir.' – NL: 'Als je wilt, help ik je.'

- 'wann' = vragen (direct en indirect)
- Voorbeeld (direct): German: 'Wann kommst du?' – NL: 'Wanneer kom je?'
- Voorbeeld (indirect): German: 'Ich weiß nicht, wann er kommt.' – NL: 'Ik weet niet wanneer hij komt.'

Wanneer gebruik ik 'als' (tijd in verleden en vergelijkingen)?

Tijd: éénmalige gebeurtenis of achtergrond in het verleden
  • Gebruik 'als' als je naar één concrete gebeurtenis of een specifieke periode in het verleden verwijst.
  • German: 'Als ich 18 war, bin ich nach Berlin gezogen.' – NL: 'Toen ik 18 was, ben ik naar Berlijn verhuisd.'
  • German: 'Als er ankam, fing das Konzert an.' – NL: 'Toen hij aankwam, begon het concert.'

Opmerking: 'als' gebruik je niet voor herhaalde gebeurtenissen in het verleden en niet voor toekomstige gebeurtenissen.

Vergelijking: 'dan' in het Nederlands
  • In vergelijkingen gebruikt het Duits 'als' waar het Nederlands 'dan' gebruikt.
  • German: 'Sie ist älter als ich.' – NL: 'Zij is ouder dan ik.'

Veelgemaakte fout
- Fout: 'Ich rufe dich an, als ich zu Hause bin.'
- Correctie: 'Ich rufe dich an, wenn ich zu Hause bin.'
- Uitleg: hier is geen éénmalig verleden bedoeld, maar een toekomstige/voorwaardelijke gebeurtenis: gebruik 'wenn'.

Wanneer gebruik ik 'wenn' (herhaling, voorwaarde, toekomst)?

Herhaalde of algemene gebeurtenissen
  • 'wenn' gebruik je voor handelingen die regelmatig plaatsvinden of voor algemene waarheden.
  • German: 'Wenn ich müde bin, trinke ich Kaffee.' – NL: 'Als ik moe ben, drink ik koffie.'
  • German: 'Wenn wir Ferien hatten, fuhren wir ans Meer.' – NL: 'Als we vakantie hadden, gingen we naar zee.' (herhaald in het verleden)
Voorwaarde: 'if' in het Engels
  • 'wenn' is de normale vertaling voor NL 'als' (= 'if') bij voorwaardelijke zinnen.
  • German: 'Wenn du heute Zeit hast, kommen wir vorbei.' – NL: 'Als je vandaag tijd hebt, komen we langs.'
  • German: 'Wenn es morgen regnet, fällt das Picknick aus.' – NL: 'Als het morgen regent, gaat het picknick niet door.'

Onwerkelijke / hypothetische voorwaarde (Konjunktiv II)
- Voor irreële of hypothetische situaties gebruik je 'wenn' + Konjunktiv II (of 'würde' + infinitief).
- German: 'Wenn ich mehr Zeit hätte, würde ich mehr lesen.' – NL: 'Als ik meer tijd had, zou ik meer lezen.'
- German: 'Wenn er Geld hätte, würde er ein Haus kaufen.' – NL: 'Als hij geld had, zou hij een huis kopen.'

Opmerking over tijd
- 'Wenn' kan verwijzen naar het heden, verleden (herhaald), en de toekomst. 'Als' kan niet gebruikt worden voor de toekomst.

Wanneer gebruik ik 'wann' (vragen en indirecte vragen)?

- Gebruik 'wann' alleen in vragen (direct) of in indirecte vraagzinnen (ik weet niet wanneer...).
- Directe vraag: German: 'Wann beginnt der Film?' – NL: 'Wanneer begint de film?'
- Indirecte vraag: German: 'Er fragt, wann der Zug fährt.' – NL: 'Hij vraagt wanneer de trein vertrekt.'

Let op: 'wann' is geen voegwoord voor temporele bijzinnen (je gebruikt niet 'wann' om te zeggen 'als/in het geval dat'). Voor die functie gebruik je 'wenn' of 'als' (afhankelijk van tijd en betekenis).

Woordvolgorde: waar komt het werkwoord?

- 'als' en 'wenn' introduceren een bijzin (Nebensatz): in die bijzin staat het vervoegde werkwoord helemaal aan het eind.
- German: 'Wenn ich Zeit habe, komme ich.' – NL: 'Als ik tijd heb, kom ik.' (habe = einde bijzin)
- German: 'Als er gestern ankam, war das Wetter schön.' – NL: 'Toen hij gisteren aankwam, was het mooi weer.' (ankam = einde)

- Bij indirecte vragen met 'wann' staat het werkwoord ook aan het eind van de bijzin.
- German: 'Ich weiß nicht, wann er kommt.' – NL: 'Ik weet niet wanneer hij komt.'

- In directe vragen met 'wann' geldt subject-werkwoord inversie: 'Wann kommst du?' (werkwoord vóór onderwerp).

Veelgemaakte fouten en hoe je ze oplost

- Fout: 'Ich weiß nicht wenn er kommt.'
- Correct: 'Ich weiß nicht, wann er kommt.'
- Uitleg: in indirecte vragen gebruik je 'wann'.

- Fout: 'Wann ich gestern nach Hause kam, war niemand da.'
- Correct: 'Als ich gestern nach Hause kam, war niemand da.'
- Uitleg: éénmalige gebeurtenis in het verleden → 'als'.

- Fout: 'Ich rufe dich an, wann ich zu Hause bin.'
- Correct: 'Ich rufe dich an, wenn ich zu Hause bin.'
- Uitleg: hier is een voorwaardelijke/future situatie, geen vraag.

- Fout: 'Wenn er größer als ich.' (vergissing met vergelijking)
- Correct: 'Er ist größer als ich.'
- Uitleg: gebruik 'als' voor vergelijkingen; in het Nederlands gebruiken we 'dan'.

- Fout: 'Als es morgen regnet, bleibe ich zu Hause.'
- Correct: 'Wenn es morgen regnet, bleibe ich zu Hause.'
- Uitleg: 'als' niet voor toekomstige gebeurtenissen.

Vergelijking met het Nederlands (handig voor Nederlandse leerlingen)

- NL 'toen' → Ger 'als' (éénmalig verleden)
- NL: 'Toen ik klein was, speelde ik buiten.' – Ger: 'Als ich klein war, spielte ich draußen.'

- NL 'als' → Ger 'wenn' (voorwaarde of algemene/herhaalde situatie)
- NL: 'Als het regent, blijf ik thuis.' – Ger: 'Wenn es regnet, bleibe ich zu Hause.'

- NL 'wanneer' → Ger 'wann' (vragen)
- NL: 'Wanneer kom je?' – Ger: 'Wann kommst du?'

- NL 'dan' (bij vergelijking) → Ger 'als'
- NL: 'Hij is groter dan ik.' – Ger: 'Er ist größer als ich.'

Praktische tip voor Nederlanders
- Als je in het Nederlands 'toen' gebruikt (verleden), kies in het Duits meestal 'als'.
- Als je in het Nederlands 'als' bedoelt als 'if/wanneer' (niet verleden), kies 'wenn'.
- Voor vragen gebruik je altijd 'wann'.

Uitgebreide voorbeelden per type

Als (éénmaalig verleden / vergelijking)
- German: 'Als ich 10 Jahre alt war, bekam ich mein erstes Fahrrad.' – NL: 'Toen ik 10 was, kreeg ik mijn eerste fiets.'
- German: 'Als der Terroranschlag passierte, waren wir weit weg.' – NL: 'Toen de aanslag gebeurde, waren we ver weg.'
- German: 'Sie ist älter als ich.' – NL: 'Zij is ouder dan ik.'

Wenn (herhaling / voorwaarde / toekomst)
- German: 'Wenn ich müde bin, gehe ich früh ins Bett.' – NL: 'Als ik moe ben, ga ik vroeg naar bed.' (herhaald)
- German: 'Wenn du anrufst, sage ich es ihm.' – NL: 'Als je belt, zeg ik het hem.' (voorwaarde)
- German: 'Wenn ich Zeit habe, besuche ich dich.' – NL: 'Als ik tijd heb, bezoek ik je.'
- German: 'Wenn es morgen schönes Wetter ist, machen wir ein Picknick.' – NL: 'Als het morgen mooi weer is, houden we een picknick.'
- German (Konjunktiv II): 'Wenn ich mehr Geld hätte, würde ich ein neues Auto kaufen.' – NL: 'Als ik meer geld had, zou ik een nieuwe auto kopen.'

Wann (vragen)
- Direct: German: 'Wann fängt der Unterricht an?' – NL: 'Wanneer begint de les?'
- Indirect: German: 'Er möchte wissen, wann der Film startet.' – NL: 'Hij wil weten wanneer de film begint.'

[fout/goed] voorbeelden
- Fout: 'Ich weiß nicht wenn er kommt.' → Goed: 'Ich weiß nicht, wann er kommt.'
- Fout: 'Wenn ich gestern kam, war alles anders.' (als éénmalig) → Goed: 'Als ich gestern kam, war alles anders.'

Samenvatting: korte regels om te onthouden
  • Gebruik 'als' voor éénmalige gebeurtenissen in het verleden en voor vergelijkingen (Duits 'als' = NL 'toen' voor verleden, en Duits 'als' = NL 'dan' bij vergelijkingen).
  • Gebruik 'wenn' voor herhaalde/algemene gebeurtenissen, voorwaardelijke zinnen (if) en toekomstige/waarschijnlijke gebeurtenissen.
  • Gebruik 'wann' alleen voor vragen (direct of indirect).
  • Let op woordvolgorde: 'als' en 'wenn' zetten het werkwoord aan het eind van de bijzin; bij indirecte vragen met 'wann' staat het werkwoord ook aan het eind.
Glossarium
  • Bijzin (Nebensatz): een afhankelijke zin; in het Duits staat het vervoegde werkwoord vaak aan het eind.
  • Hoofdzin (Hauptsatz): de zelfstandige zin; kent de tweede-positie-regel voor het finiete werkwoord (V2).
  • Konjunktiv II: de aanvoegende wijs die je gebruikt voor onwerkelijke/hypothetische situaties (vergelijkbaar met NL 'zou + infinitief').
  • Indirecte vraag: een bijzin die een vraag bevat maar niet direct wordt gesteld; voorbeeld: 'Ich weiß nicht, wann...'.

Veel succes met oefenen — als je voorbeelden of meer oefenzinnen wilt, geef een zin in het Nederlands en ik vertaal en leg uit welke voegwoord je moet gebruiken!

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York